De geschiedenis van Jongen (deel 1)

DSCN6390Jongen was vijf maar wist al op zijn derde dat hij volgens  anderen raar  was. Wie was er ook weer mee begonnen hem dat duidelijk te maken? Zijn grootmoeder. Zijn grootmoeder die als ze naar hem keek op een heks leek. Het hielp mee dat ze geen kunstgebit droeg, iets wat aan het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw meer voorkwam. Hierdoor hadden haar lippen de neiging om zich te verdunnen en naar binnen te trekken.

-Waarom doe je zo raar?, vroeg ze hem met priemende oordeelsogen.

Deed hij raar? Wat was dat, raar? Was dat dat je zo hard mogelijk door het korenveld heen en weer rende? Of was het dat je liever als eerste in de teil zat bij het wassen, zodat je niet in het vuil van een ander werd schoongemaakt? Of was het dat je liever naar een regenton keek dan naar je oma die je uitfoeterde?

-Kijk me aan, schreeuwde ze met een uitgeperste stem.

Maar dat zag er veel te gevaarlijk uit. De trage wieging van de kolossale rode kastanje in de zonnewind was veel prettiger om naar te kijken. Dus deed Jongen dat. Want Jongen hield van prettig. Was dat misschien raar? Misschien wel. De mensen om hem heen leken het minder belangrijk te vinden. Die stonden te puffen en te zuchten op het land. En ook de bakker en de dokter die langskwamen met hun auto’s leken vooral met werk bezig te zijn. Pret leek ze niet te interesseren.

Raar was waarschijnlijk dat je anders was.

Toen hij verhuisd was van het Rijndorp naar de grote stad, ontdekte hij dat er nog meer heksen waren. De onderbuurvrouw in Den Haag bijvoorbeeld. Als hij en zijn broertjes en zusje op het bed stonden te springen, belde ze aan en sprak zijn moeder toe met een hoge stem die op de grens van beleefdheid en irritatie zat. Nu zijn moeder hem had uitgelegd wat raar was. vond hij de onderbuurvrouw in Den Haag raar.

Ze had een zoontje dat scheel was. Eerst wist hij niet wat scheel precies was, maar hij had het zijn vader horen zeggen. Toen was hij naar de onderbuurvrouw gelopen. Hij had de gewoonte ontwikkeld om het ijs te breken bij heksen door directheid.

-Die Gertje van jullie, he, mijn vader zegt dat hij scheel is.

De onderbuurvrouw gaf hem zonder nadenken een draai om zijn oren.

-Au.

-Dat zal je leren om Gertje met zijn ogen te plagen.

Dus scheel was iets aan je ogen en raar was anders. En als je zei dat scheel scheel was, plaagde je iemand met zijn ogen. En wat de onderbuurvrouw en zijn oma deden, dat was niet raar. Ze liepen de hele dag op kinderen te vitten. Dat konden ze gewoon doen, dus zou het wel goed wezen. Hij vond het wel raar, maar hij begreep al jong dat als je zelf raar was, dat je dan niet goed kon beoordelen of iemand anders raar was. Misschien was je dan helemaal

Zo wist hij ook niet of juffrouw Thekla raar was, met haar vlinderbril, de rok tot aan haar knieen en het strakke gezicht met de stiefmoederogen. In tegenstelling tot juffrouw Thea die altijd lief keek en ook mooi genoeg was om altijd lief te kijken, keek juffrouw Thekla altijd streng. Ze fronste en had de mondhoeken naar beneden staan.  Meestal keek ze de kinderen niet aan, maar Jongen keek ze altijd wel aan. Dan was het alsof haar ogen rood werden, maar toen hij goed keek, bleek dit niet het geval.

Haar blik was zo indringend, dat Jongen de schuld op zich nam voor dingen die hij niet had gedaan. Daar kreeg hij dan straf voor. Zoals die ene keer dat iemand over het meisjestoilet had heen geplast. Toen de juf vroeg wie dat had gedaan, keek ze hem aan. Alleen hem.

Om haar gunstig te stemmen stak hij zijn vinger op en loog dat hij het gedaan, wat hem op de hoek kwam te staan. Toen hij daar stond met zijn rug naar de kinderen, liep ze een poosje om hem heen zonder iets te zeggen. Dat vond hij onaangenaam, maar er hing een tekening aan de muur van een schip en hij fantaseerde dat hij op dat schip was. Ondertussen zei ze dingen tegen hem, maar ze werd overschreeuwd door de bemanning.

Toen hij aan het einde van de dag naar buiten kon zong Jongen. Eigen liedjes die de heksen uit zijn hoofd verdreven. Voor even. Ze keerden altijd terug, want het leven was geen pretje, wat hij ook raar vond. Want als hij zoals de goede god een leven had bedacht, dan zou het altijd een pretje zijn, met knikkers en chocolade en de geur van het land op een koude herfstavond.

Zijn liedjes zong hij met een normaal volume totdat er mensen in de buurt kwamen, dan ging het liedje door in zijn hoofd en versnelde hij zijn pas.

-Dat is die rare jongen die altijd zijn pas versnelt als hij mensen ziet, hoorde hij dan.

Er waren ook mannen in zijn leven. Zijn grootvader was een reus van 1 meter 73, zijn vader was nog 13 centimeter langer. Maar zijn opa leek massiever omdat hij beter at en daardoor wat dikker was. Je keek tegen een muur van gemoedelijk mensenvlees aan. Jongen’s  vader at witbrood met hagelslag en ’s avonds nam hij een paar happen groenten, een of twee aardappels en meestal een speklap. Ook wanneer zij ander vlees aten.

Zijn vader was opgegroeid in de jaren 30 en 40 in een arbeidersgezin, dat vooral groot werd door pap en witbrood. Heel soms was er een speklap of reuzel. Hij was ook gek op reuzel. Het arbeidersgezin had krom gelegen voor hem, die de jongste was. Die had daardoor HBS kunnen doen; iets tussen HAVO en VWO in.

Met zijn opa wandelde hij naar het bos dat vlakbij hun huis lag. Het landschap glooide. Als hij met zijn opa door dat landschap liep was hij meer thuis dan ergens anders. Zijn opa was geen man van veel woorden. Jongen vond dat erg leuk, zo’n zwijgzame man die rondkeek met een blik die hele verhalen verborg. Hij stelde zijn opa veel vragen.

-Je moet niet steeds naar de bekende weg vragen, zei die regelmatig.

Deed hij dat? Eerlijk gezegd wel. Dat kwam ook omdat hij vragen stellen heel veilig vond. Dan voelde hij zich minder raar. En hij wilde heel graag weten hoe zijn opa zo normaal had kunnen worden. Iedereen vond hem aardig. En grappig was hij ook. Omdat hij rare stemmen deed, en een gezicht had dat voor lachen gemaakt leek. Zijn oma zat vol gemene rimpels en had een frons die je gevoelens door elkaar prakte. Maar als zijn opa in de buurt was, dan was zijn oma ongevaarlijk.

Zijn opa bedacht dieren, maar Jongen dacht dat ze echt bestonden. En zijn opa vond dat heel grappig en maakte de dieren uitbundiger en soms ook gevaarlijker. Zo waren daar de knijpkatten, die het voorzien hadden op jongetjes van mijn leeftijd. Katten met kwaadaardige ogen en scharen aan hun poten. En de bisons die in het bos rondwaarden als verscheurende dieren. Konden bisons dat? Opa zei van wel, en dan was het waar.

Zo had je aan een kant de heksen en aan de andere kant de sprookjesdieren. En het glooiende romantische landschap, begrensd door een bos, waarin wie-wist-wat rondspookte. En Jongen’s fantasie. Die ervoor zorgde dat alles wat mensen zeiden werkelijkheid werd. Als iemand zei ‘Er zij licht’, dan was er licht.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s