Als een man van zijn sokkel valt

SavedPictureIk stond voor de witte muur met mijn plastic bal. Zojuist had ik met een belangrijk doelpunt voor Oranje Brazilië uit een WK-toernooi gespeeld. Het oranje deel van het stadion was uitzinnig van blijdschap. Ze scandeerden mijn naam. De commentator van de NOS zei euforisch dat het ‘wederom Bert O’ was, die Nederland aan de punten hielp. Er was al een straat naar me vernoemd en iemand had een standbeeld van me gemaakt.

Thuis schreef ik in een schrift wedstrijdverslagen. Aan de onnavolgbare ster die ik was besteedde ik meer tijd dan aan mijn schoolwerk. In mijn kamer maakte ik een doeltje van een stoel en een visnet, en met een tennisbal scoorde ik er lustig op los. Ondertussen veerden 65 000 mensen op in ons mooiste voetbalstadion, daar aan het PC Hooftplein in Harderwijk.

Ik was niet alleen voetballer. Ik was, ondanks mijn 10 jaren, de belangrijkste ‘man’ van de band Elton Everbich & the Stars. Ik tekende platenhoezen met mezelf, mezelf en mezelf erop. De platen hadden Engelse titels, maar ik kende nog geen Engels, dus grammaticaal klopten ze niet. Geen haan die er naar kraaide, geen mens die ze zag. Maar in mij waren het echte platenhoezen, en ik zon op manieren om de wereld te laten geloven dat ik groot was. Groter dan Cruijff, groter dan Mick Jagger, groter dan Peter Green van Fleetwood Mac die nog maar zo weinig mensen kennen.

Met wat ik was, had ik weinig. Het was niet leuk om een jongetje van 10 te zijn in een nieuwbouwwijk in een kleine provinciestad. Een jongetje dat op zoek was naar iets dat hij niet kende tussen monotone rijtjeshuizen, grijze straten, de sobere flats die je een anoniem gevoel gaven. Ik had geen macht, ik had niets.  Later, toen alles anders was, schreef ik er een gedicht over, maar in die jeugdjaren zat ik er maar mee.

er stond stamppot op het gasfornuis

met slagersworst en kanen

en drift en angst werd opgepot

met opgedroogde tranen

 

de oorlog te vergeten

was het nagestreefde doel

ik liep er zoekend tussen

en vond nergens een gevoel

 

Nog voordat er een bewustzijn was ontstaan had ik van mezelf een mythe gemaakt. Alles wat ik deed werd groter dan het in wezen was. Een tochtje op de fiets naar het boerendorp Hierden werd een etappe uit de Tour de France.  En toen ik een paar jaar later met een koptelefoon naar Ummagumma van Pink Floyd luisterde, was mijn kamer de concertzaal, mijn tafel het keyboard en ik de beste toetsenist van de wereld.

In mij woelde een sterrendom. Nu moest de wereld het nog herkennen. De jongen die ik was bestond niet in het contact met de wereld om mij heen; de wereld die mij zo verveelde, en de jongen zonder allure die ik er was. Ik kwam tot leven bij de opzwepende noten en tonen van rockbands, waar ik mijn identiteit in perste en dat ging zo door tot mijn 45e. Er was een leven met banen, relaties, vrienden en verplichtingen en er was een leven waarin ik een fenomenaal talent was, dat maar niet ontdekt werd.

Ik stond op een sokkel. Hoog boven alle werkelijkheid verheven overzag ik de wereld alsof ik een god was die uitrustte van een paar dagen scheppingswerk. Ik meende daadwerkelijk, op mijn 45e nog, dat het weer speciaal op mij werd toegesneden. Niet op mijn buurman, of op presidenten van de Verenigde Staten, maar op mij. In het jodendom kende men een verschijnsel dat lamed wav heette.

Lamed wav betekende dat er op de wereld een keten was van rechtvaardigen, steeds één per generatie, die voorkwam dat god de wereld  vernietigde of zoiets.

Ik voelde me zo iemand. En alleen met dat besef kon ik leven. De popster was een heilige geworden. Zonder dat besef was het ondraaglijk om te stofzuigen, af te wassen, te kijken naar actualiteitenrubrieken, de dagelijkse gang te maken naar de Albert Heijn, te kijken naar hangende mensenmenigtes in de zon, en al die andere dingen.

Veel mensen halen hun vreugde uit realisme. Ze pellen de werkelijkheid af tot ze het skelet er van gevonden hebben. Dat proces gaat bij mij heel snel. Ik hoef er geen moeite voor te doen. Maar wat er dan overblijft, bevalt mij niet. En dus kleed ik het skelet weer aan. Met een eigen bedenksel. Ik determineer geen werkelijkheid. Ik voeg er andere werelden aan toe.

Op mijn 45e kwam de wending. Iemand verliet me. Een geliefde. Ze wilde nog kinderen, maar dat was de reden niet, verzekerde ze me. Er was iets mis tussen ons, legde ze me uit. Altijd al. En ja, er was een andere man en ja, kort daarna was ze zwanger. Maar het ging niet om kinderen. Het ging erom dat ze iets beters gevonden had. Iets beters? Dan mij? Wat was er beter dan iemand die vervlochten was met de lamed wav?

Iets beters. Dat viel als een vals, laaghartig licht binnen door de kier van mijn zelf mythologisering. Toen ik in de spiegel keek, zag ik iemand anders dan in de jaren ervoor.  Ik rechtte mijn rug en probeerde iets aan deze ontluisterende werkelijkheid toe te voegen. Ik zocht naar franje, naar slingers. Ik zocht een illusie om in te wonen. Een verdoving van woorden, muzieknoten of verf. Maar buiten wat schamele versregels vond ik niets waarmee ik een identiteit bij elkaar kon puzzelen.

Het zelfbeeld dat ik op de sokkel had gezet was daar vanaf gevallen en in honderden stukken gebroken.   De mythe brak mee. Het voetballertje van weleer had niet bestaan. De popster ook niet. De Lamed Wav had niets met mij te maken. Ik was een midlife man geworden, waar de belofte uit was gebroken door een vrouw die mijn mythe als een wegwerpaansteker wegwierp, omdat ze een kind wilde. Dat bleef ik zeggen, dat ze een kind wilde en daarom bij me was weggegaan.

Het was de laatste leugen waaraan ik me kon vasthouden.

Ik doe vandaag een boottochtje op de IJssel en kijk terug op toen, alweer meer dan 7 jaar terug. Het water rimpelt in de zoele lentewind; de zon maakt lichtsplinters door weerspiegelingen in het stromende water.  In mij wonen hele families van nieuwsgierige levensonderzoekers. Naast mij zit Maria. Maria is goed in gevoel.

Ze zegt tegen me dat ik zo veranderd ben. Dat het net lijkt of er allemaal kleine mannetjes in me wonen. De één geniet van de natuur. De ander schrijft. Een derde  wil relaties. Een vierde wil geen relaties. Ik kijk haar aan.

-Als ego’s van hun sokkels vallen, verdelen ze zich, mompel ik.

2 mei 2013, bijdrage voor Amsterdams kunstproject ‘Man en mythe’.    

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s