Koude oorlog (deel 13, 14, 15 en 16); een oerhollands internetfeuilleton

Tante Tina woonde in een flat van drie verdiepingen. Hij was net na de tweede wereldoorlog gebouwd. Ze had een Oost-Europese soberheid want ze hield zowel van Oost-Europa als van soberheid. Ze was ooit in Krakow geweest, waar ze in een buitenwijk vergelijkbare woningen had gezien. Aan de achterkant bood de flat uitzicht op een vijver. Aan de voorkant stonden wat auto’s geparkeerd.

Na de scheiding van haar man die losse handen had, was ze hier blijven wonen. De huur kon ze net betalen, maar dan moest ze het roken beperken tot 1 pakje per 2 dagen en het drinken van goedkope chianti, die destijds in een dikbuikige fles werd verkocht met een half mandje eromheen. Haar menu bestond uit patat en chinees. Koken met de fiets, noemde ze dat.

Ze leefde niet gezond, en wilde dat ook niet. Ze dreef de spot met de ´biodynamische tuinkabouters´ die in de slipstream van de hippies modieus waren in haar kringen. Ze vond het schandalig dat er mensen waren die na de tweede wereldoorlog mee gemaakt te hebben, het lef hadden voedsel ´vies´ te noemen. En verder had ze, zei ze, maar één criterium: smaak. Dat betekende overigens vooral zout en zoet en als het om alcohol en cafeïne ging ook nog wel eens bitter. Zuur kwam er niet in.

Ze was geen type om over dingen te piekeren. Ze had het hart op de tong, het was geen vrouw met ingewikkelde strategieën. Maar wel een hart dat geraakt kon worden.  En dat hart was nu geraakt. Ze was niet welkom. Niet welkom bij haar eigen broer.

Hij moest zich schamen. Zonder zijn familie was hij net als hen gewoon aan het werk geweest in een fabriek of slachterij. En wat was daar mis mee? Beter dat dan in de frontlinie van het leger. Maar het hielp niet om zulke dingen te denken. Het ging er niet minder pijn van doen.  Wat hielp, dat was zijn plannen doorkruisen.

En aan de sigaret, kijkend vanuit haar keukenraam over de naoorlogse woonwijk, overwoog ze of het een verstandige keus was om dat te doen: zijn plannen doorkruisen. En toen herinnerde ze zich de ringen.  De trouwringen van haar ouders die haar moeder kort voor haar dood aan Kees had gegeven. Of eigenlijk aan zijn vrouw Ellie die een jaar geleden was overleden.

Tante Ellie hield van sieraden. Ze had van te voren met de familie overlegd of ze het goed vonden dat zij voor een poosje, de ringen kreeg. Het was het enige van waarde dat mijn grootouders hadden. Ze hadden ze gekregen van haar moeders moeder. De familie had geen bezwaar. Tante Tina had voor de grap gezegd dat ze misschien niet zo’n ekster was als tante Ellie, maar dat ze de ringen graag wilde hebben als Kees en Ellie er ooit niet meer waren, ‘want ik denk dat jullie eerder het loodje leggen dan ik’.

Kees zei dat dat waarschijnlijk niet zou lukken, omdat er al afspraken waren gemaakt over de ringen. Hun moeder zou op haar sterfbed gezegd hebben dat ze wilde dat ze aan Johan zouden worden gegeven. En wel op het moment dat hij trouwde. Of het zo was wist ze niet. Tante Corry had het gehoord maar wist er ook het fijne niet van.  Nu het huwelijk zich aandiende zou mijn vader er van zelf om komen.

Mijn vader had het inderdaad wel eens over die ringen gehad. Een principekwestie noemde hij het. Principes waren wetten voor mijn vader. Hij verdedigde ze als het vaderland. Jij vroeg me vroeger wel eens waarom mijn vader zich zo druk maakte over futiliteiten. Je was niet de enige. Mijn vader kon zich geweldig druk maken over zaken die niemand interesseerden.

Tante Tina doofde haar sigaret, trok haar jas aan, deed een das om, handschoenen aan en een muts op en wandelde naar de kelder waar haar brommer stond. Een tweedehands Zundapp, licht opgevoerd door Johan toen hij een keer met Merel op visite was.  Ze duwde hem de kelder uit, startte hem en reed in de richting van het huis van haar broer Kees.

Toen Merel en Johan weg waren, begon mijn moeder op te ruimen, terwijl mijn vader de zwart-wit-televisie aanzette. Met zijn salaris hadden we allang een kleurentelevisie moeten hebben, maar het geld was altijd op. Het drank- en sigarettengebruik waren een aanslag op hun beurs. Mijn moeder had door hun mateloosheid moeite om de eindjes aan elkaar te knopen.  Omdat mijn vader ook nog vond dat een man met zijn status regelmatig buiten de deur moest eten, kwam ze maar net uit en soms zelfs net niet. Dan aten we restjes en speklappen.

-Daar word je niet minder van,  zei mijn vader.

Op slechte dagen moesten ze overleggen op het postkantoor of telefoneren met de PTT, waar ze hun rekening hadden. Ze hadden gekozen voor een postgirorekening omdat de PTT voor stabiliteit stond. Daar zit je altijd goed, zei mijn vader. Hij hield van ‘vastigheid’ en een goed salaris. Daarom had hij in 1962 voor een baan bij het Rijk had gekozen in plaats van bij de NS, waar ze voor 1964 veel minder verdienden dan in het leger.

Hij zette de zwart-wit-televisie aan en deed de lampen uit; een afspraak die ze hadden gemaakt om op energiekosten te besparen. Het televisielicht flakkerde in de kamer. Ik sloot mijn stripboek.

-Jim, we gaan toch niet naar de Evangelische Omroep zitten kijken nu?

-Huh?

-De Evangelische Omroep. Uit.

Hij stond op, liep naar het toestel, draaide aan de volumeknop en zette het apparaat harder.

-Doe je dat nou expres? vroeg ze.

-De Maastrichter Staar. Het beste koor van Nederland.

Ze liep naar het toestel, draaide het uit en stak een lamp aan. Hij keek haar verbijsterd aan.

-Eerst even praten, Jim Busk.

-Praten?

-Ik weet dat je als man tot de soort behoort die niet kan luisteren en nog minder kan praten, maar we gaan het er toch even over hebben.

-Waarover?

-Over dat huwelijk.

-Huh?

-Dat hú-we-lijk.

Ze bleef nu constant op luide toon praten. Mijn aanwezigheid hinderde haar niet. Als het om ‘grote mensen zaken’ ging, was het alsof ik niet in de kamer was.

-Je moet naar de dokter met die oren.  Laat ze maar snel uitspuiten. Heb je daar op je werk geen last van?  Nee natuurlijk niet. Militaire commando’s hoor je drie straten ver.

-Hou het gezellig, Willemijn.

-Wat vind je nou van dat huwelijk?

-Prima. Hoezo?

-Was je niet verrast?

-Nee.

-Ik vind ze helemaal geen mensen voor een huwelijk.

-Och.

Och betekende bij mijn vader helemaal niets en zeker geen aanzet tot een verder gesprek. Ze ging hem prikkelen.

-En nu komt je familie niet.

-Uitstekend. Toen zijn moeder stierf, gaven ze niet thuis. Ze hebben er niets te zoeken.

Ze ging zitten en peuterde aan haar kunstgebit.

-Haal toch eens een goed kunstgebit, Willemijn.

-Waarvan? We hebben geen geld.

Hij knikte, alweer afwezig.

-Hoe ga je het uitleggen, Jim?

-Wat uitleggen?

-Word eens wakker, man. Je zult ze toch moeten uitleggen waarom ze niet mogen komen.

Hij schudde zijn hoofd.

-Ik ga het ze niet uitleggen.

-En jij denkt dat je dit verborgen kunt houden?

-Nee hoor. Ze mogen het best weten.

-Ik kan je verzekeren dat ze het te weten komen. Merel houdt haar mond niet.

-Ze doet maar.

-Maar dat wordt niet gemakkelijk. Dat wordt een probleem. Dat wordt ruzie.

Mijn vader stond op en liep naar de televisie.

-Ze komen niet. Daar gaat het om.

-Zodat je niet voor joker staat bij rijlaars senior en rijlaars junior?

-Daar gaat het niet om.

-Daar gaat het wel om. En ik verzeker je dat er narigheid van komt.

Mijn vader zette de Evangelische Omroep aan en deed de lamp weer uit.

-Dat zien we dan wel weer.

De rest van de avond was de kamer mistig. Hij flakkerde de kamer in het tv-licht en er klonken trage zwaarmoedige koren. Mijn moeder ging vroeg naar bed; mijn vader bleef op en zong mee. Ik ging naar mijn kamer en zette ‘The Cinema Show’ op van de band Genesis, die ik net had ontdekt.

 

Mijn moeder was de beste van de klas op de nonnenschool, maar een meisje uit een eenvoudig katholiek gezin uit een dorp aan de Rijn kon niet zomaar studeren. Haar moeder wilde dat ze naar de huishoudschool zou gaan. Door bemiddeling van haar vader en de schooldirecteur werd het uiteindelijk de MULO.  De leerkrachten, veelal nonnen, waren het eens met haar moeder, maar de mannen wonnen het.

Haar moeder werd vroeger woedend als ze een boek zat te lezen, of als ze geen antwoord gaf. Dat deed ze vaak, geen antwoord geven. En staren. Zonder met haar ogen te knipperen. Ik ken buiten haar maar één persoon die dit ook doet. Johan.

Mijn moeder was een gistend vat; dat zal je destijds wel ontdekt hebben. Ze zat vol gedachten en had geen manier gevonden om zich te uiten, of het moet bij mijn vrienden zijn geweest. Bij mensen zoals jij. Ze had ooit gedichten geschreven, maar daar was ze mee opgehouden toen ze trouwde.  Ze had een tweede Anna Blaman willen worden; een schrijfster die na de eeuwwisseling snel is vergeten.

Haar brein ging sneller dan haar mond. Ze maakte zinnen half af. Daar schaamde ze zich voor. Ze vond dat er meer was om zich voor te schamen. Ze was dik en met haar 1 meter 55 veel te klein. Het voelde zich een dwerg naast Jim die 30 centimeter langer was en bovendien gespierd en slank.

Dikke mensen zijn gezellig en kleine mensen zijn grappig, vonden de mensen. Maar ze wilde niet gezellig en grappig zijn. Ze wilde serieus genomen worden, waardering krijgen. Een moeder die op je vitte, daar nam je zelfvertrouwen niet van toe. Ze zou tegenwoordig een high potential  hebben geheten, maar ze had geen vorm gevonden om het aan de wereld van haar dagen te laten zien.

Dat had haar tot een vrouw gemaakt, die meestal niet meer zei dan het hoognodige. Ze ging rond met een frons en had af en toe een uitbarsting. Meestal als er gedronken, en soms ook als ze nuchter was. Dan  waren de uitbarstingen kwetsend en vernederend. Ze wees dan zondebokken aan, en dat waren mensen die op haar leken.

Johan was er een van geweest. Mijn vader ook. Misschien jij ook wel, maar dat weet ik niet zeker, omdat ik niet weet wie van jullie wie gebruikte. Jij was een puber die misschien wel iets wilde leren; wat zij bij jou zocht weet ik niet. Ik wil het ook niet weten.

Ze kende zichzelf en wist maar al te goed dat ze zondebokken zocht om haar frustratie op af te reageren.  Ze psychologiseerde graag, het liefst over zichzelf. Dat deed ze in gesprekken met mij. Ik was nog erg jong toen ze er mee begon. Ze was belezen en sprak veel over Carl Gustav Jung die ze boeiender vond dan Freud. Veel vrouwen van haar generatie hadden niet kunnen studeren, omdat tot ver in de jaren zestig de overtuiging bestond dat vrouwen zich op een leven met kinderen moesten voorbereiden. Hun intelligentie deed er niet toe.

Door haar belezenheid begreep ze dat haar echtgenoot een nieuw historisch fenomeen was. Hij behoorde tot de eerste generatie arbeiderskinderen die HBS had kunnen doen. Een liedje van de vooroorlogse cabaretier Louis Davids leerde dat je nooit een kwartje werd ‘als je voor een dubbeltje geboren bent’. Mijn vader zong het vaak, maar behoorde tot de generatie die dat zou veranderen.

Nu  was hij lid van de liberale volkspartij voor vrijheid en democratie. Daar zwaaide de jonge gedreven liberaal Hans Wiegel de scepter; volgens tante Tina een bal van de ergste soort, waarvoor ‘castratie nog te veel eer is’. Zoals allochtonen altijd tussen hun oude en nieuwe cultuur in zweven, zo zweefde mijn vader tussen de werelden van oud geld en de nouveau riches; mensen van eenvoudige komaf die het plotseling breed hadden gekregen. Slimme mensen, maar nog niet helemaal los van de klasse waar ze in opgroeiden. Soms sloegen ze hun kinderen of dronken te veel.

Na haar vragen van vanavond was mijn vader onrustiger geworden. Hij was ’s nachts wakker geworden en kwam hij niet meer in slaap, omdat het idee van het feest en zijn familie hem niet losliet. Hij kletste tegen mijn moeder aan, die een uur lang naar hem luisterde en weer ging slapen, toen bleek dat hij zich herhaalde en haar geruststellingen geen effect sorteerden. De volgende ochtend vertelde dat ik de enige reden was om niet te scheiden.

-Voor mij hoeft dat niet, mam, antwoordde ik.

Schuldig voelde ze zich er wel over, zei ze erbij. Waar had ze recht op? Zij, die haar talenten onbenut liet, de kip die nooit uit het ei was gekomen en -op mij na- nooit een ei had gelegd. Zij die op haar ongelukkigste momenten uitbarstte tegen een man die niet begreep waarom, maar die vervolgens probeerde om haar weer gunstig te stemmen. Ze sprak altijd met me over die dingen; het heeft lang geduurd voordat ik haar vroeg het niet meer te doen.

Ze vermoedde, in de geest van de psychologen van haar tijd, dat hij dat deed om de verbinding te maken met het vrouwelijke in zichzelf, in feite met zijn moeder. Hij vond dergelijke ideeën echter abject en onzinnig. Hij had geen aandacht voor de vrouw die ze was. Het was dus niet vreemd dat ze af en toe gekke dingen ging doen. Zoals met jou.

Ik heb wel eens gedacht dat ze zo is geworden door de nonnen. Je hoort tegenwoordig ernstige berichten over de praktijken van de katholieke kerk.

Tante Tina woonde zo’n vier kilometer van ome Kees, maar op de brommer was dat zo gedaan. Handschoenen aan, muts op, das om en hup met de Zundapp naar haar broer! Na de dood van tante Ellie was ome Kees dichter bij zijn zussen gaan wonen, wat merkwaardig was omdat er geen diepgaande relatie was tussen hen.

Ome Kees moest je ’standaard’ tegenspreken, zei tante Tina ooit, maar tante Corry vond juist dat je hem gelijk moest geven. Beide strategieën leidden niet tot een beter contact met hun broer. Hij was simpelweg niet in ze geïnteresseerd. De bezoekjes waren plichtmatig, ogenschijnlijk hartelijk maar er was geen echte band. Ome Kees was eigenlijk alleen maar geïnteresseerd in Indonesië, het voormalige Nederlands Indië, waar hij als vrijwilliger gevochten had in de jaren veertig. En in de Amerikaanse jazz zangeres Billy Holiday, wiens grammofoonplaten werden gespeeld als je bij hem op visite kwam.

Ze wist nog hoe hij uit Indonesië was terug gekomen. Wild, agressief en –naar later bleek-  als vader van een zoon.  Die zoon erkende hij niet, maar hij had haar ooit opgebiecht dat het wel zijn zoon was, en dat zij het tegen niemand mocht zeggen. Ome Kees had dat vaker met haar. Zo maar uit het niets vertelde hij haar heel persoonlijke dingen. Ze had zich lang afgevraagd hoe dat kwam, maar hield het uiteindelijk op de drank, die uiteindelijk de beste vriend van de familie was en iedereen aan het praten bracht.

Toen ze aanbelde, duurde het even voordat hij open deed. Hij liep slecht en was te zwaar.  Zijn haar grijsde maar net als bij mijn vader waren er bij hem nog geen signalen van kaalheid.

-Zo, kijk eens wie we daar hebben? Kom binnen’.

Er hing een rooksluier in zijn flat, merkte ze toen ze hem voorging naar de woonkamer.  Hij mompelde iets over zijn heup, dat hij daar veel last van had, maar dat zag ze zo ook wel want hij trok met zijn been en hield zijn heup vast.

-Nou, nou, Kees. Heb je de ramen nog wel eens open? Het lijkt hier wel een fabriekshal met de pijp naar binnen.

-Een vent moet roken, Tien.  Vooral als hij ziek is en zijn zussen hem verwaarlozen.

-Ik ben er nou toch?

Ze hoorde Billy Holiday ‘s Miss Brown to you op de achtergrond.

-Dat is lang geleden.

-Komop, Kees, ik was er twee weken geleden nog.

Hij zuchtte, terwijl hij met moeite naar de keuken schuifelde.

-Roseetje?

-Liever een biertje.

-Zeker geen glas?

Ze schudde haar hoofd. Hij opende de flesjes, nam ze mee naar de kamer, pakte voor zichzelf een glas en ging zitten, waarbij hij zijn gezicht vertrok van de pijn en vervolgens tot een grimas.

-Het wordt met de dag beter met die heup.

-Je moet er mee naar de dokter.

-Ik ga niet naar de dokter. Hier kunnen ze niets aan doen. Dat voel ik zo wel. Het is een oude Indische kwaal.

Ze bleef staan, met het flesje in haar hand. Ze wisselden nog wat uit over zijn gezondheid en hij wilde weten of ze een keer goedkoop varkensvlees voor hem kon meenemen. En reuzel, om in te bakken.

-Je hebt een zwak hart, Kees, dan moet je geen reuzel nemen. Trouwens, niemand bakt meer in reuzel.

-Ik wel. Er gaat niets boven reuzel en spek.

Ze lachte.

-Een echt arbeiderskind. Net je broer.

-Jim en ik lijken op elkaar als een mier en een wesp. Waarbij ik uiteraard de wesp ben. Maar waar kom je eigenlijk voor?

Tante Tina had de vraag verwacht.

-Voor de ringen.

-De ringen?

-De huwelijksringen van pa en ma.

Hij keek alsof hij iets uit zijn geheugen ophaalde.

-Als ze er zijn, zullen ze in een van de doosjes van Ellie zitten. Ik zal wel eens voor je kijken.

-Zou je dat nu even willen doen?

Ome Kees nam een slok, maar deed dat onhandig waardoor er teveel bier ineens in zijn mond kwam en langs zijn kaken wegliep. Hij proestte. Tante Tina bleef onbewogen staan en glimlachte.

-Het gaat lekker met je, he?

Hij trok een wenkbrauw op.

-Lekker dier.

Hij keek naar een van de platenhoezen die hij tegen de muur had gezet. Deze was van de Amerikaanse jazzband van Duke Ellington.

-Nee, ik ga nu niet in die doosjes van Ellie snuffelen. Wat moet je er trouwens mee?

-Hebben.

-En waarom zou ik ze je geven?

Ze zweeg even.

-Niet zo achterdochtig, broer.

– Natuurlijk ben ik achterdochtig. Je komt hier bijna nooit. En nu vraag je onmiddellijk naar de ringen van pa en ma. Wat wil je precies?

(Wordt vervolgd)

(Dit is een internet feuilleton. Eerdere afleveringen vindt u op deze blog. Bert Overbeek twittert op Goeroetweets, en heeft een zakelijke weblog www.jongebaqzen.nl. Hij publiceerde tot dusverre een dichtbundels, businessboeken (‘Goeroegetwitter’ en ‘Voer voor jonge bazen’ en een historisch verhaal over Dorestad. ) 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s