Koude oorlog, een oer-Hollands verhaal (deel 1-5)

Op dit ogenblik publiceer ik op deze weblog het oer-Hollandse verhaal ‘Koude oorlog’. Het speelt zich af halverwege de jaren zeventig, maar de jaren vijftig en zestig schemeren er door heen. Vandaag passeerde deel 5, maar voor de mensen die nu pas aansluiten is hier nog een keer deel 1 tot en met 5 van het verhaal. Het begint met een motto van Graham Nash.

 

‘The army had my father

And my mother was having me’

                               Graham Nash, ‘Military Madness’

 

Mijn moeder dacht dat ik partij had gekozen. Dat was niet zo, maar zo nam ze het op. Van haar enige kind verlangde ze de volmaakte loyaliteit. ‘Wie niet voor mij is is tegen mij’ is een uitspraak van de verlosser van het christendom,  maar hij had ook uit haar mond kunnen komen.

Er was een conflict dat jaren had gesluimerd en ineens kwam het tot een uitbarsting. Het is niet gemakkelijk als mensen je tot liefde of loyaliteit dwingen. Daar werd het in elk geval tussen mijn moeder en mij niet beter van. Ik weet dat jij een zwak hebt gehad voor haar. Ze was zo leuk dronken. En dan deed ze met ons mee als wij, twee pubers, mensen met een handicap belachelijk maakten, in navolging van Neerlands Hoop, de progressieve cabaretiers van de jaren zeventig.

Pas veel later in mijn leven ben ik tekeningen van mijn moeder gaan maken. Ik tekende haar als Medusa, met slangen in haar haar.  Natuurlijk was ze geen Medusa, maar ik moest haar wel een poosje zo zien in mijn leven. Mijn broer Johan (ik moet eigenlijk stiefbroer zeggen) vond dat ik alles wat ze deed vergoelijkte, en dat was ook zo. Om dat kwijt te raken moest ik haar een tijdje als heks ervaren.

Jij was een jeugdvriend. Je wist veel meer van ons dat ik toen besefte. Ik dacht altijd dat je het alleen maar gezellig vond. Omdat het zo anders was dan bij jullie thuis. Dat zei je ook altijd. Je mocht bij ons bier drinken. Daar deden ze niet moeilijk over, mijn ouders.

Wij beiden weten dat je bij uitstek degene bent aan wie ik het verhaal moet schrijven. Ik ben al een tijd geleden achter het geheim van jou en mijn moeder gekomen. Dit maakt je uiterst geschikt om mijn geheim over mijn moeder in bewaring te nemen.

Als ik niet achter jullie geschiedenis was gekomen, dan had ik je het verhaal waarschijnlijk ook geschreven, omdat het over een periode gaat waarin we nog veel dingen met elkaar deelden, jij en ik. Er blijft altijd een verlangen naar die tijd met elkaar, ook al zijn we nu bijna vijftig.

In de grond van de zaak is het verhaal dat ik je hier vertel bepalend geweest voor een handeling die ik twee weken geleden verrichtte. Het is de basis van het conflict met mijn moeder. Ik zal dat conflict van me afschrijven en er daarna nooit meer aan denken. Ik houd niet van mensen hun leven lang over de zogenaamde trauma’s van hun jeugd praten. Psychoanalytische onzin, vind ik. En omdat ik buiten jou geen mensen meer verdraag, deel ik het met jou.

Het begon in februari 1975. Eigenlijk begon het eerder, maar ik moet een moment prikken waarin de gebeurtenissen samenstroomden om het begrijpelijk voor je te houden. 1975 dus. De tijd dat wij als 15-jarigen platen van David Bowie en Lou Reed zaten te beluisteren op mijn kamer. In het knipperende licht van drie spotjes die aangesloten waren op een lichtorgel. Onder een visnet.

Mijn meer dan 4 jaar oudere broer Johan bevoer in die tijd de wereldzeeën als matroos in dienst van de Nedlloyd. Ik bewonderde dat. Ik volgde zijn schip in de Telegraaf waarop mijn ouders geabonneerd waren. Ergens in de buurt van de rouwadvertenties stonden de scheepsberichten vermeld. Als hij thuis kwam, was ik nieuwsgierig naar de spullen die hij meebracht uit het verre oosten. Fruitmanden van hout. Een krom mes. Een Indonesische dekenkist met prachtige houtsnedes in het front. En glanzende kimono’s uit Japan, van vluchtige geliefden die hem honderden kilometers nareisden.

Als ik trouw, stop ik met varen, zei hij wel eens en soms ook:  als ik stop met varen, trouw ik. Maar niets wees er op dat moment op dat hij plannen had in die richting. Hij had verkering, maar in de familie werd geroddeld over zijn seksuele leven op zee. Hij was al eens met een druiper thuis gekomen.

Zijn vriendin Merel leek ook niet van plan om al te gaan trouwen.

-Natuurlijk ga ik niet trouwen. We leven potdomme in het jaar van de vrouw, had ze met oud en nieuw nog gezegd,  trouwen is van vroeger. De tijden veranderen. Als vrouwelijke fan van de Stones kan je toch niet trouwen. Dat is belachelijk, man.

Toen ze plotseling aankondigden dat ze gingen trouwen, kwam dat dan ook als een verrassing. Ik begreep er niets van. Hij, net 20, had altijd de zee in de kop. Wie een tyfoon of tsunami heeft meegemaakt en gezwommen heeft op plaatsen waar de oceaan tien kilometer diep is, zei hij kort voor zijn huwelijksaankondiging, wordt niet opgewonden van een appartement in een provinciestad aan het randmeer zoals Harderwijk, of een flatje met uitzicht op een Veluwse bosrand.

Voor haar bleken de dingen anders te liggen. Ze zou eindelijk haar geliefde bij zich hebben als hij aan land kwam. De maanden zonder hem vond ze afschuwelijk. Het waren maanden waarin ze haar plichten afdraaide als grammofoonplaten.  En ze vertrouwde hem niet helemaal met vrouwen als hij op zee was. Ze werd gek van het idee alleen al. Dus haalde ze hem over. Hoe dat gebeurde, is me niet verteld.

Ze was bepaald niet naïef, al was ze een jaar jonger dan Johan. Ze heeft daar wel eens met me over gesproken toen hij weg was. Dan zocht ze mij op, omdat ik haar aan hem deed denken, en dit terwijl we geen echte broers waren, maar stiefbroers.

Mannen op zee bezochten vrouwen van lichte zeden in havenbuurten, dat wist ze zeker.  Daar moesten ze de schade inhalen. Het waren toch mannen. Johan sprak er nooit over, maar ze had informatie ingewonnen bij oudere collega-verpleegkundigen waarvan de mannen ook op zee voeren. En hun verhalen hadden haar niet gerustgesteld. Ze stak de ene sigaret met de andere op toen ze het me vertelde.

Daar kwam bij dat Johan uitgesproken knap was. Hij was weliswaar maar 1 meter 73, maar was atletisch gebouwd met brede schouders en smalle heupen. Zijn donkere krullen en grote bruine ogen maakten hem tot een aantrekkelijke man voor animeermeisjes in de havens.

Merel was precies even lang als Johan, had halflang donkerblond haar en groene ogen, die onderscheidend waren op de partnermarkt. Hij was er voor gevallen. Hij kon minuten achter elkaar naar haar ogen kijken, zo lang en indringend dat ze plagerig opmerkte dat de rest van haar lichaam er toch ook mocht zijn. Dat deed ze gewoon waar wij bij zaten.

Een bruiloft zou hun leven ingrijpend veranderen. Sommige vrienden en familieleden van Merel vroegen zich af of ze dat beseften en natuurlijk antwoordden ze ja, maar in werkelijkheid stonden ze er niet bij stil. De emotionele aandrang was te krachtig.

‘Wij volgen gewoon ons gevoel’ was de toelichting van Merel die vaak de woordvoerder van Johan leek ‘Zoiets kan je niet uitleggen. Mensen willen altijd dat je alles uitlegt. Dat kan gewoon niet altijd.’

Dat Johan zo vroeg was gaan varen, leidde tot speculaties over de relatie met mijn moeder. Er ging een verklaring rond die beweerde dat mijn broer snel uit huis wilde, omdat hij niet gelukkig zou zijn bij zijn stiefouders. De roddel wilde dat de relatie met Willemijn, mijn moeder, gespannen zou zijn. Familieleden probeerden zich op bijeenkomsten daarvan een beeld te vormen, dat merkte ik wel. Dat zag ik aan de blikken. Ze vroegen er echter nooit naar.

Ook jij weet dat wij het bij mij thuis eigenlijk nooit over spanningen hadden. In onze vriendschap sprak ik er niet over. Als je toen geen 15-jarige puber was geweest, maar een volwassen man, had je misschien gevraagd naar dat flesje jenever in mijn binnenzak of naar de grote hoeveelheid sigaretten die ik rookte. En als je die vragen gesteld had op een slimme manier, was je misschien uit mijn mond te weten gekomen wat er speelde.

Maar wij, het gezin zelf hadden het niet over elkaar. Zodat er voor ooms en tantes niet veel meer te doen viel dan speculeren en roddelen. Dit werd dan ook ongeremd gedaan, maar dat heb ik jaren later pas vernomen.

Johan kon je erg doordringend aankijken met zijn ronde bruine ogen. Hij knipperde zelden en sprak weinig. Als kind had hij gestotterd. Volgens mijn vader begon dat na de dood van zijn moeder die het leven liet bij de geboorte van een tweeling. Hij was toen vijf en kwam samen met een oudere, inmiddels door een auto-ongeluk overleden broer, in een kindertehuis terecht.

Mijn vader en moeder haalden hem eruit. Hij heeft meer dan eens tegen familieleden gezegd dat hij zijn ome Jim dank verschuldigd was. Mijn moeder noemde hij niet. Dat gaf nieuwe munitie aan de roddel dat hij niet goed was met zijn stiefmoeder.

Mijn vader was de lievelingsbroer van Johans overleden moeder. Ze kwamen uit een arbeidersgezin van vijf kinderen. In het totaal had Johan 2 tantes en 2 ooms en hij vermoedde dat er een soort familieberaad had plaatsgevonden voordat hij was geadopteerd. Hij wist niet hoe de anderen zich toen hadden opgesteld.

Op school deed Johan het niet best, terwijl hij toch niet onintelligent was. Dat zal aan de omstandigheden hebben gelegen. Hij bleef zitten op de basisschool en op de middelbare school ging het niet veel beter. Zijn tantes en ooms suggereerden ook hier weer (het wordt eentonig) dat dit kwam door zijn stiefmoeder. Mijn moeder was in hun ogen weliswaar geen verkeerde vrouw, maar de manier waarop ze naar Johan keek straalde volgens de familieleden weinig liefde uit. Ze hebben me destijds wel eens gevraagd of ik er iets van wist. Dan haalde ik mijn schouders op en zei dat ze dat maar aan mijn moeder moesten vragen.

Ook later laaide er roddels op, toen mijn vader zei dat Johan door het varen ‘een stuk vooruit was gegaan’. Hoezo vooruitgegaan? Was er dan toch iets mis? Tante Tina en Corrie, de zusters van mijn vader, dachten van wel. Zijn broer, ome Kees, vond dat ze niet overal iets achter moesten zoeken.

In de periodes tussen zijn scheepsreizen, woonde Johan bij ons. Eigenlijk wilde hij al lang op zichzelf gaan wonen, maar hij had het niet gedurfd, omdat hij bang was dat mijn vader het zou uitleggen als kritiek. Als je het naar je zin had, wilde je niet weg. En hoe zouden anderen reageren, als ze zagen dat hij graag weg wilde?

Voor mijn vader was het erg belangrijk wat anderen er van vonden.

Merel en Johan vertelden het eerst aan Merels ouders. Haar vader stond het licht te repareren. De  man, voor wie het leven een juk leek, viel bijna van het trapje omdat ze niet met een jongen uit de kerk zou trouwen. Hij zei echter geen onvertogen woord. Haar moeder liep huilend naar de keuken, waar zij van schrik een wildbouillon ging bereiden. Haar vader wist zich toen niet meer goed te beheersen, en herhaalde steeds dezelfde zin, met een blik in de ogen alsof zojuist zijn huis was afgebrand.

‘Wat doe je je moeder toch aan? Wat doe je je moeder toch aan?’

Dat vroeg hij vaker, vertelde ze me later, als ze iets deed dat in strijd was met hun overtuigingen.

‘Ik doe haar niets aan, pa,’ riep Merel, ‘Jullie doen mij wat aan. Je dochter gaat trouwen en wat doen jullie? Jij wordt grauw als een opgebaard lijk en zij staat te kreunen alsof Jeremia in haar is gevaren.’

Haar vader probeerde haar met sussende stem te bewegen tot meer ‘mededogen’. Dit soort initiatieven pakte echter verkeerd uit bij zijn dochter. Die ging dan juist het tegenovergestelde doen, in dit geval dreigen. Dat als ze zo bleven doen, dat ze dan niet werden uitgenodigd. Dat ze het dan wel konden vergeten. En dat ze vooral niet moesten denken dat ze gekke Alie was, ‘verdomme’.

verdriet om Merel’s afvalligheid, maar ze wilde wel vrienden blijven. (Merel zei wel eens dat in iedere verzoeningspoging van haar moeder tegelijkertijd een verwijt zat.) En het huwelijk wilde ze niet missen.  Die gebeurtenis was te belangrijk.

Toen Johan en Merel even later weggingen, was de vrede gesloten. Bij de deur zei haar vader: ‘Fantastisch van je moeder, he?’ maar Merel stond al aan het einde van het pad. Johan zag het en zei zacht ‘Ja, fantastisch van haar’ maar wel zo dat Merel het niet kon verstaan, vertelde hij later. Anders was het vuur opnieuw opgelaaid en dat hadden die mensen niet verdragen.

Je moet beseffen dat Merel in die tijd heel obstinaat was. Wij kunnen ons dat niet zo goed voorstellen, omdat we geen gereformeerde opvoeding hebben genoten, maar als inwoners van Harderwijk kennen we de verhalen van mensen met zo’n opvoeding maar al te goed.

Pa zeggen tegen hem ging gemakkelijker dan ma zeggen tegen haar. Johan zei zelden ma tegen  mijn moeder, en ook op de avond van de huwelijksaankondiging viel het woord pa vaker. Van te voren had Johan zich zorgen gemaakt over het gesprek, hoorde ik later van Merel.

-Waarom maak je je nou zo druk?, had ze hem gevraagd

-Omdat hij ervoor heeft gezorgd dat ik naar de zeevaartschool kon.

-Dat heb je zelf gedaan.

Als hij iets zei, reageerde ze altijd met de snelheid van een honkbalslagman. Zijn reactie kwam steeds na een korte aarzeling waarin hij haar aankeek met grote ogen zonder te knipperen. Ze vond dat aantrekkelijk en zei dat ze het niet eerlijk vond als hij in een discussie zo keek, want dan werd ze week van binnen.

-Hij heeft me geholpen. Hij heeft een vriend gebeld. Anders had ik er misschien nog gezeten.

Hij voelde zich ‘schatplichtig’, maar dat vond ze maar gezeur. Hij kon er toch niets aan doen dat hij in dat kindertehuis terecht was gekomen? Dat een aantal volwassenen vervolgens tot actie overgaan, was toch niet meer dan normaal?

-Je bent toch goed terechtgekomen? Dat is ook jouw verdienste. En nu ga je trouwen met het lekkerste wijf van Harderwijk.

Als ze grof in de mond werd, zag je dat hij eigenlijk moest lachen, maar hij hield het in.

– Ik weet het niet.

– Hoezo? Ben ik geen lekker wijf?

-Natuurlijk wel.

-Maar wat weet je dan niet?

-Hoe hij gaat reageren.

-Ze moeten blij zijn.

-Trouwens, hij is misschien goed voor je geweest, maar dat kan je van haar niet zeggen.

Hij zweeg nu wat langer. Hij had het er liever niet over, hij werd er treurig van als hij het erover had, beweerde hij.  Met mij sprak hij echter regelmatig over het verleden. Het deed hem deugd dat ik er een aantal keren bij was geweest, want soms dacht hij dat het allemaal niet gebeurd was. Dat hij het zich maar inbeeldde.

Voor mij was het verwarrend als kind. Mijn moeder verwende mij. Ik was net Hans uit het sprookje van Hans en Grietje, die vetgemest werd in de kooi van haar ongelijke behandeling. Het was vervelend om haar lievelingetje te zijn, terwijl ik wist wat ze hoe ze met hem omging.

Je hebt wel eens gezegd dat ik slecht met complimenten kon omgaan. Als mensen positief zijn tegen mij, dan denk ik altijd: wat ben jij voor persoon en hoe doe je tegen anderen?

-Ik heb het niet over haar, zei hij tegen Merel, ik heb het over hem.

-Maar hij was toch ook niet altijd gemakkelijk?

-Ik heb een goed gevoel bij hem.

-Logisch. Hij was de lievelingsbroer van je moeder.

Hij reageerde afhoudend.

-Zoals ik al zei: hij is altijd goed geweest voor me.

-Het is nogal een snob, hoor. Het enige dat hem interesseert is de mening van de buren.

-Maakt niet uit.

-Je gaat met het lekkerste wijf van de wereld trouwen. Dan moet hij toch blij zijn, verdomme?

Ze kon heel vasthoudend zijn.

-Ik denk dat hij er moeilijk over zal doen. Hij zal denken dat ik weg ga omdat ik het thuis niet naar mijn zin heb. Dat het aan hem ligt.

-Dan zou hij een egocentrische lul zijn. Wat zou hij dan willen? Dat je tot aan je dood bij hem in huis blijft wonen?

Mijn vader kon inderdaad dingen in zijn nadeel uitleggen. Dan kon hij erg boos worden. Dat Johan ging varen had hij goed gevonden, ook al was Johan toen pas 16. Dit kwam doordat hij bij ons verbleef tussen de vaarten door. Maar trouwen op jonge leeftijd, dat was omdat je uit huis wilde. En dat kon in zijn beleving pas op je 24e. Ging je eerder, dan was dat omdat je hem niet meer aardig vond en omdat je dat wilde laten zien aan de buren..

Beiden zwegen nu, terwijl ons huis in zicht kwam. We zien het wel, zei Merel en zoende hem op zijn wang om hem gerust te stellen.

Het schemerde februari-achtig in onze rokerige woonkamer. Mijn vader was zoëven afgeleverd door de legergroene Volkswagenbus die hij en zijn collega-landmacht-officieren ’de combi’ noemden. De auto bracht hen ’s ochtends naar de kazerne en ’s avonds van de kazerne terug naar huis.

Mijn moeder had een halve liter fles amstel bier voor hem neergezet en had voor zichzelf een glas sherry ingeschonken.  Ze rookten sigaretten. Hij een Caballero en zij een mentholsigaret van Gladstone. Mensen hadden in die tijd nauwelijks bezwaar tegen roken; in hun generatie was het vreemd als je het niet deed.

Mijn vader had de grijsgroene stropdas losgeknoopt waardoor deze scheef om zijn nek gestropt zat. Hij zat in een half onderuitgezakte houding met zijn enkels  over elkaar. Ze liepen in een punt van twee schoenen uit, alsof zijn onderstel het uiteinde van een schaar was. Niet bepaald een reclame voor de landmacht van Hare Majesteit, zal ik maar zeggen.

Mijn vader zei goed bedoeld dat ze eens een ‘nieuw japonnetje’ moest kopen. Ze antwooddde dat ze zich geen nieuwe kon permitteren omdat het geld op ging aan sigaretten en drank. Dan keek ze beschuldigend naar mijn vader. Terwijl ze zelf meer rookte en dronk dan hij.

Tegen weinig mensen was ze direct, maar tegen mijn vader kon ze heel bot zijn. Na 20 jaar huwelijk kon je je alles permitteren. Al zag je eruit als een bos uitgebloeide chrysanten, het maakte niet uit, ze bleven destijds toch wel bij je. Als ze hun natje en droogje maar hadden. Ze bekeek hem vanuit haar ooghoeken terwijl ze van haar sherry nipte.

-Ze hadden een belangrijke mededeling, zeiden ze.

-Huh?

-Een belangrijke mededeling, herhaalde ze, luider, want zijn buis van eustachius zat om de haverklap verstopt, beweerde hij. Wij hadden onszelf daardoor in de gesprekken met hem getraind in to the point communiceren. Zij deed dat in korte zinnen, met een toename van volume bij sleutelwoorden zodat ze zeker was dat hij ze hoorde.

-Wat voor belangrijke mededeling?

-Als ik dat zou weten, hoefden ze niet te komen. Ze keek me aan met een geïrriteerde blik.

Hij ging niet op haar in, maar begon te vertellen over een collega, luitenant Smit. Smit was maar één rang hoger, maar van betere komaf. Een ‘heer van stand’ noemde mijn moeder dat, naar een uitdrukking van de cartoonist Maarten Toonder. Ze reden samen in de combi maar daar was mijn vader niet blij mee.

-Een echte rijlaars.

Zo noemde hij Smit, die, zo maakten we op uit de verhalen, wel eens een grapje maakte over mijn vader. Die vond dat erg vervelend en kon er niet mee om gaan.

-Omdat zijn vader iets was bij de ambassade, en mijn vader fabrieksarbeider, vindt hij dat hij grapjes moet maken.

Mijn moeder vertelde me later dat ze zich niet goed kon herinneren hoe vaak ze die zin had gehoord. Hij kon slecht tegen grappen, maar op de grappen van Smit moest, als ze mijn  vader moest geloven, de doodstraf komen te staan.

De bel ging.

-Daar zal je ze hebben.

Mijn moeder stond op, drukte haar sigaret uit in de asbak en liep naar de voordeur terwijl mijn vader zijn stropdas schikte en  rechtop ging zitten. Ik bleef er bij. Niet omdat ik het zo leuk vond, want de sfeer was nooit helemaal ontspannen als Johan en Merel er waren. Maar juist daarom bleef ik erbij. Dat had ik tot een mechanisme gemaakt: als er spanning was, moest ik er bij blijven. Ik had dat vaker, dat moet je nog weten van onze stapavonden. Wanneer er ergens een vechtpartij in de lucht hing, bleef ik.

Was het nieuwsgierigheid? Of dacht ik dat ik door mijn aanwezigheid escalatie kon voorkomen? Ik weet het nog steeds niet precies, maar er zat iets angstigs in. Terwijl jij dacht dat het moedig van me was.

(wordft vervolgd)

Advertenties

Een gedachte over “Koude oorlog, een oer-Hollands verhaal (deel 1-5)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s