De doden herdenken, de levenden troosten

Op 4 mei is het dodenherdenking. In de tweede helft van 2010 voltooide ik een reeks gedichten over oorlogssituaties die in de wereld hebben plaatsgevonden. Vanuit de slachoffers en vanuit de agressoren. Het land Guernica heet de gedichtenreeks, met een verwijzing naar het schilderij van Picasso. Ik zoek overigens nog kunstenaars of fotografen om beelden te maken bij de gedichten: pitcher.support@hetnet.nl . Voor mijn lezers is hier alvast het totale werk. Ter nagedachtenis. (Scroll goed door naar beneden. De witplaatsen horen erbij.)

Het land Guernica

Gedichten

 

 

 

 

 

 

 

                                                                          

 

 

 

 

 

 

 

Bert Overbeek

‘Bij mannen die gevangenzaten wegens gewelddelicten en verkrachting waren de testosteronspiegels hoger dan bij hen die schuldig waren aan andere feiten.’

                                                  Dick Swaab ‘Wij zijn ons brein’ (2010)

In a pagan place         –Waterboys, 80’s-

 

Als we geen woorden schrijven in aarde waar gevochten is, wat zuivert die plaatsen dan?  Hoe brengen we die oorlogsgebieden terug in ongeschonden staat? Hoe kunnen bomen dan ooit nog ademen in Auschwitz, Borodino of Bagdad?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor het momentum  zijn daders nooit daders. Het kunnen vaders zijn, vrienden, minnaars, harde werkers en eerlijke zakenlieden. Er is geen werkelijkheid die hun ruggengraat scant of meet of zichtbaar maakt. Ze leven in vrede met hun omgeving en zouden dat doen tot het einde van hun leven, als niet plotseling een oorlog, een stammenstrijd, een tsunami of een kernramp passeert. Wanneer de wervelwinden van menselijk verdriet gepasseerd zijn, dan kijken ze niet meer in spiegels maar in de vragende ogen van hun geweten.  Als ze dat dan nog hebben.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Na het momentum zijn eerlijke vaders en hardwerkende vrienden misdadigers geworden. Uit de krochten van hun geesten kroop de wreedheid omhoog. En degenen die helden leken,  bleken lafaards. Maar ze vinden rechtvaardigingen voor hun gedrag. Hun gewetens hebben geen stem meer. En ook dat is een echte misdaad tegenover hen die hun geliefden verloren.

 

 


 

Child in time                Deep Purple, 1970’s

 

                                                           Bosnië, 1990’s

De  Bosniër die zijn zoon Nerwin riep,  zijn stem half in, half uit de kramp. Bij de Serviërs zijn we veilig, Nerwin, kom maar jongen, kom maar bij je vader, bij je vader ben je veilig. Kom maar Nerwin, naar het dal waar ze ons verzameld hebben, ze doen ons niets. Naar het dal, zag je op tv, waar uitgehongerde lichamen bewaakt werden door weldoorvoede goedgetrainde militairen. Kom maar jongen, hier is het veilig. En neem de anderen mee die zich verstoppen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Boven het massagraf hoort Nerwin de woorden nafluisteren door de wind. Je moet niet naar je vader luisteren. Dan overleef je niet. Je weet niet of je vader een verrader is. Of hij je het massagraf in had willen loodsen. Daarover zal je nooit uitsluitsel krijgen.

The wall                       Pink Floyd, 1970’s

DDR 1980’s

Een woord weegt niets meer. Het heeft geen consequentie. Vroeger wel. Maar toen stond de Muur er nog. Als ik in Leipzig zei dat iemand onbetrouwbaar was  -dat kon ik in drie woorden zeggen-  dan waren die woorden uiteindelijk iemands vonnis.

Drie woorden, één mensenleven.

Gelukkig hoefde ik niet te weten wat er gebeurde met mensen die ik aan ging geven. Gelukkig voltrok ik geen vonnissen en gelukkig was ik niet de enige. En gelukkig heb ik een geweten dat zich graag laat ompraten met drogredenen, en dat niet mezelf maar alleen anderen in staat van beschuldiging stelt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hier op mijn rug heb ik een tattoo laten zetten. Daarop staat de naam van mijn geliefde. Ik ben weduwe. Ze hebben mijn man meegenomen en hij is nooit teruggekomen.

Ze hebben hem met zijn hoofd boven een regenton gehangen en hem net zo lang in water gedompeld tot hij stierf. Een regenton als moordwapen.

Iemand heeft gepraat. Hij niet. Daar ben ik trots op. Vol trots ga ik door de straten. Met zijn naam op mijn rug. Ik ben oud en verlept, maar zorg altijd dat zijn naam te zien is.


 

Killing me softly          Roberta Flack, 1970’s

 

 

Rwanda, 2000’s

Pas later besefte ik dat tutsi’s mensen waren. Ze vertelden me dat het niet uitmaakte hoe je in iemand sneed. Je kon beginnen met een arm of met een nek. Maar de mensen werden banger, als je hun scrotum afsneed en ze een stukje dwong te lopen. Je zag geen bloed maar angst. En dat wilde je, die angst.

Ik dacht dat de tutsi’s monsters waren. Ik wist echt niet dat het mensen waren. Iemand had me verteld dat ze geen gevoel hadden. Dat laatste heb ik niet kunnen vaststellen. Wel dat ze schreeuwden van de pijn, dat ze jammerden van angst en dat dat de zekerheid van onze overwinning vergrootte.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Toen hij doodbloedde ben ik naast hem neergeknield. Ik kon niet huilen. Ik gaf over. Het braaksel kwam over hem heen. Ik heb hem geolied met mijn braaksel.

Hij zei dat hij van me hield. Always did. Always did.  De zon bloedde dood. Ik brak maar kon niet huilen. Mijn tranen zijn een droge mond geworden. Ik heb hem geolied met mijn braaksel.

Hij zei dat hij van me hield. Always did. Always did. Mijn tranen bloedden dood.

One            U2, 1990’s

 

                                   Duitsland, 1940’s


 

Ik deed gewoon mijn werk. Ik had een gezin te onderhouden. De omstandigheden waren buitengewoon onveilig. Ik deed gewoon mijn werk. Als je je werk deed, niet luisterde, niet meedeed, niet zichtbaar een van hen was, dan was er altijd wel een SS’er, verstehen Sie?  Verzet had geen zin. En we wisten ook niet dat er zoveel stierven. We deden gewoon ons werk, leidden ze naar de gaskamers en vergrendelden de deuren.  Daarna ging het licht uit.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Aan de poort van het kamp deed ik mijn laatste gebed. Ik had een kind van drie. Een meisje met een zacht gezicht. Ze leek op mijn vader, haar geliefde. Ik zag hem altijd lachen op straat in Magdenburg. Hij was een wijze man en wilde zeven kinderen.

Ze zijn vergast.

Hij, mijn meisje en de kinderen die nooit geboren werden.

Ik ben nu oud en kinderloos. Een oude vrouw die aan het raam zit. Ik kijk naar de onwetendheid van bloemen, van vogels. Ik herinner me niets. Gebeden zijn sprakeloze vreemden voor me geworden.


 

I hope the Russians love their children too    Sting 1980’s

                                                        USSR, 1940’s

        

Natuurlijk bleek later pas dat Stalin fout was. Dat hij massagraven had gevuld met intellectuelen. So what? Who cares about intellectuelen met hun gegraaf? Ik had geen moeite met hun executies. Met plezier richtte ik mijn geweer op ze. En het was de norm destijds. Dat moet u niet vergeten. U lacht. Het is altijd dezelfde norm, zegt u? Lacht u maar. Ik voel het oordeel wel. Mijn geweten is zuiver. Het hoort niets, het ziet niets. Het is even onschuldig als een ongeboren kind.

 

 

 

 

 

 

 


 

Zij was niet radicaal, ze stond tegen onrecht op. Eén keer. Ze had gehoord dat de schrijver T een dag naakt in de sneeuw had gestaan nadat ze over hem geürineerd hadden.  Dat deden ze voordat ze hem doodknuppelden.

Ze heeft toen een opstandig artikel in de krant geschreven. Toen hebben ze haar gearresteerd. We hebben nooit meer iets van haar vernomen.

Ik heb me lang afgevraagd wat de betekenis van dit alles was. Waaraan de mens het recht ontleent om een ander zo te behandelen. Ik heb een antwoord gevonden: het heeft geen betekenis.


 

Ik ben als minder dan een dier. Ik ben als bacteriën gaan door mijn leden. Ik ben als de kou van Siberië die door me heen waait. Ze hebben me naakt buiten de deur gezet. Zou de mevrouw van het nieuws vertrouwd als altijd over de kou praten? Alsof ik hier niet zijn lot deel. Alsof de nacht zich niet heeft afgewend van me. Alsof het niet weer zal gebeuren en weer en weer. Ik heb geschreven over onrecht en wat uit je pen vloeit zal zich tegen je keren.

Don’t be cruel              Elvis Presley, 1950’s

 

                            Oost-Europa, verschillende eeuwen

Het is ons land. We moeten ze niet. Hen niet. En evenmin de zigeuners. Ze offeren kinderen. Naar men zegt. Ze drinken je bloed. Naar men zegt. Ze willen je dorp overnemen. Naar men zegt.

Ze hebben een verbond met de duivel. Naar men zegt. Ze brengen een vloek over ons.

Het is dus volkomen gerechtvaardigd om je meest kwaadaardige fantasieën  op ze uit te leven. Het is ons land, wij drinken hun bloed en dienen de god der goden, en die is goed. Naar men zegt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het was ons dorp. Het kwam uit een vorige vlucht voort. We bouwden het op uit hout. Mijn grootvader stond vooraan. Hij wilde een offer worden voor de jongere mannen. Hij wilde ze redden. Mijn grootvader ving de eerste horde op. Ze hebben hem met knuppels geslagen. Ze hebben zijn nek doorgesneden.

Toen hebben ze hetzelfde gedaan met de andere mannen. Ze waren met honderden. En toen kwamen ze bij ons.

De verkrachting was niets vergeleken met de dingen die zij moest meemaken. Ze sneden haar buik open, deden er ratten in en naaiden hem toen weer dicht.

 

 

 


 

Hide in your Shell                          Supertramp, 1970’s

 

                                                           Ieper, de 1910’s

Dat was de vijand. Ik zal je de plaats wijzen. Mannen zoals wij met geweren in de loopgraven. Daar hielden ze zich schuil met opgedroogd mededogen. Hun uitgestelde verlangens, hun voorbijgedroomde vrouwen.

Er was geen dag of nacht. De dreiging kende geen licht of duister. Mannen zoals wij, dragers van de dood. Ik ga er weer een paar treffen met deze bom, en dan nam ik een sigaret en dacht aan hen, die ik al doodde, zonder het gevoel dat tussen de doden nu eenmaal onvindbaar is.

Want een dode ben je als je leeft in de loopgraven.

Een been doet pijn. Zelfs als je het kwijt bent. Je voelt het sterker als je niet meer ziet. Dat zit mij wel dwars, dat mijn laatste beelden de stervende mannen waren in die duivelse loopgraven. Dat ik mijn vrienden hoorde kermen, maar ze niet meer kon zien.

De vijand was een verzameling mannen zoals wij. Met geweren in loopgraven. Ik vraag me af hoeveel van hen daar blind zijn geworden. Met als laatste beeld mensen die met granaten werpen.

Spiralling                     Keane, 2000’s

 

                            Tsjernobyl, 1980’s

De centrales moesten draaien. We wisten wel dat ze niet veilig waren. We wisten wel dat niemand de ramp zou kunnen bedwingen als hij zou komen. We wisten. We wisten niet. De centrales moesten draaien. Weet je werkelijk als je weet, en toch handelt alsof je niet weet? Dan weet je niet. In die zin kan niemand ons iets kwalijk nemen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hij stond op de brug. Hij zag het vuur uit de centrale een kilometer omhoog spuiten. Pas twee jaar later stierf hij. Zijn huid was vol wonden. Zijn huid bladderde af. Hij stierf, na een jaar van bezwijken aan pijnen die zijn bewustzijn moest verdragen. Want zijn bewustzijn was tot aan zijn dood in tact. En registreerde iedere afbladderende huidschilfer


 

Freedom is just another word for nothing left to loose                    Janis Joplin, 1960’s

 

                                               Den Haag, 1980’s


 

Het volk reisde naar Den Haag. Treinen vol. Ze gingen laten horen dat ze voor vrede waren, tegen de oorlog.

(Het was een koude oorlog. )

Ze waren tegen een leger dat grenzen bewaakte met kernwapens. Tegen de kernwapens zelf.

Als een geplaagd kind dat tegen de een in opstand komt

en door de ander geslagen wordt.

Zij een mes, wij een mes. Zij een zwaard, wij een zwaard. Zij een geweer, wij een geweer. Zij een kanon, zij een bom, wij een kanon, wij een bom. We moeten wel. Anders is het zij een land, wij geen land. Anders is het wij de angst, zij geen angst. We leven in een wereld waarin alleen wapens voor gerechtigheid zorgen.

En voor ongerechtigheid.


 

Bullet in the head                 Rage against the machine, 2000’s

 

                                               Dallas, 1960’s


 

Over de randen van de tijd kijk ik terug. Ze sloeg haar armen om me heen, daar in Dallas. Ik voelde het leven uit me verdwijnen. Ik droeg de wereld tot dat schot, tot die schoten kwamen. Het is een kleine handeling met een klein lichaamsdeel om iets dat groot is te vernietigen. Tegen kale vernietiging is geen ideaal, geen intentie bestand. Oorlog regeert omdat er dood is.

Als een machtig man in je armen sterft, als de dood met een doffe knal het hart uit je rooft, wat zijn dan nog wereldsteden, modebladen, dure auto’s? Een geliefde is een geur die je bevalt, een stem die je koestert, een lichaam dat je bedekt, een adem die je met de aarde verbindt.

Mijn man is als een rib uit me genomen. Mijn man is een hart dat uit me is gerukt. Wat is dan nog rijkdom? Leven? Wat is dan nog mode icoon zijn op de front page van Vogue?

School’s out                          Alice Cooper, 1970’s

 

                                               Iran, 2000’s

De wet is een brandende fakkel. Wie hem overtreedt moet worden gestraft. Dat staat alleen in de wet, dat de wet niet overtreden mag worden.  De imam kent de wetten van God. De woorden van de Eeuwige. Wij zijn de imam. Wij zullen waken over zijn deugden.

Wij zullen de overtreding verbranden. Wie de overtreder gedoogt, verspreidt de overtreding. God heeft ons aangesteld als rechters, als dienaren, als beulen. Natuurlijk staat het niet in de koran dat juist wij dat zijn. Wij staan boven de koran. En dat is geen overtreding.

 

 

 

 

 

Er is geen reden voor wreedheid. Het maakt niet uit dat ze argumenteren. Woorden krioelen als termieten in de mond van mensen bij wie bewijzen minder telt dan beweren. Er is geen reden voor wreedheid en zelfs geen rechtvaardiging. Als er een god is, waarom staat hij het toe? Als er geen god is, wie zal dan vereffenen? Als er een god is, is wreedheid van voorbijgaande aard. Daarom moet er een god zijn.  Een god die voor eeuwig de wet zal afschaffen.  

In your eyes                          Peter Gabriel, 1980’s

 

                                      Overal, alle tijden

Zo heb je de werkelijkheid die je telkens komt storen met een tajine vol feiten. Dat een voetballer trouwt met een pinup. Dat de wind te hard waait voor juli maar dat dat de klimaatverandering is. Dat de oude columnist de pijp uit is en de oude professor aan MS lijdt. Dat ze in Oss zo massaal hun baan kwijt zijn. Dat heel ver weg de zee vijftien meter verrijst om armoedelijders te verzwelgen en dat god niet bestaat, dat dat nu wel is bewezen. Terwijl je juist een paar dagen geleden met hem sprak. Met god.

 

 

 

 


 

Zo heb je de dromen die altijd vrede roepen en altijd oorlog brengen. Engelen des lichts in soldatenuniformen. Lachende mannen met trefzekere UZI’s. Zo heb je de dromen die het allemaal bedachten. De dromen van bezit. Dat het land van ons is. Eigenlijk. Dat god van ons is. En dat alleen onze god god is.

Zo heb je de dromen die liefde of vrede heten. Die verbroedering zouden nastreven. Die brengen wat de mens vervult. Zo heb je die dromen die je telkens komen storen met een tajine vol paradijselijke beelden. En nergens een ingreep. Een wijs man die duurzaam vrede vestigt.  De wijzen worden overschreeuwd. De dwazen confisqueren. Domineren. Regeren. En torpederen. Iets moet het uit de toekomst snijden want uit de geschiedenis krijg je het niet weg. Het is getattoeerd op het lichaam van de tijd.

Advertenties

4 gedachtes over “De doden herdenken, de levenden troosten

  1. Kan ik me voorstellen. Het heeft mij ook in de greep gehad voordat ik er aan begon. En tijdens. Ik heb mij altijd afgevraagd waarom dit moest gebeuren. En uiteindelijk zijn mensen in oorlogen aan dit soort overwegingen overgeleverd.

  2. Beste Bert,

    Wat ik in die afschuwelijke opsomming mis zijn de verhalen van je eigen familieleden (Van Woudenberg) die zowel in 1940 als in 1944 soms midden in die hel zaten. Ken je het boek “Het begon onder melkerstijd”? En heeft je grootvader wel eens over zijn ervaringen verteld? Op één na is iedereen er uiteindelijk goed doorgekomen. Niet in het minst omdat zij in bepaalde situaties ronduit moedig waren. Ze vertelden er nauwelijks iets over. Het lag achter hen en ze wilden het liever vergeten. Maar in de loop der tijd is er toch wel een en ander in de familie bekend geworden.
    Je ziet, oorlog was altijd heel dichtbij, ook in je eigen familie.

    Met vriendelijke groet,
    Gerard van Woudenberg

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s