Zuid-Spanje vouwt de dichter open: acht verzen

Weggaan bevalt me altijd nog het best. Gewoon niet naar huis gaan. Wel je geliefde mee natuurlijk. En later toch weer naar huis. Om eraan terug te denken. Om te verwerken. Alle beelden terug te roepen voor het geestesoog. Van Zuid Spanje. Het was er mooi vorige maand. Een droom. Die altijd had moeten blijven, maar natuurlijk toch voorbij ging. Ik heb een aantal verzen geschreven sinds. Dat doe ik anders tegenwoordig. Achter elkaar. Met zelfbepaalde interpunctie. In zinnen naast elkaar. Niet onder elkaar.  Past beter bij deze internettijd. Lees ik de gedichten terug, dan zie ik mezelf steeds losser worden. En dat was precies de bedoeling. Wie uit de grammatica en de logica valt, valt uit de tijd. Het ideale reisgevoel. (Foto’s zijn van Bianca Lambrechts en mij)

(Een) Zaharra is tegen onze vrijage gewaaid. Het is uit witte draden van steen geweven.  En door de Andalusische wind als brood uit de hemel in onze diepten gevallen. Wie er de liefde beklimt en over het landschap kijkt voelt dat zijn ogen gemaakt zijn van manna.

(Twee) Van veraf zijn grote bergen klein, hoog op de rotsen van Ronda. Je ziet de kronkelwegen. Slordig neergelegde linten op gaarden met witte huizen.  Diep onder je waar de zon het eerst onder is, hoor je een beek ruisen. Taal is hier volmaakt onbelangrijk.  Je zit temidden van gedachten waarvoor nog geen namen zijn. Slordig neergelegde linten op de gaarden van je bespiegelingen, die het kleine groot maken. Groter dan de bergen ginds.

(Drie) Ze hebben de sierra hier als een kleed opengevouwen. Over de kom van het dal hebben ze een paar huizen tussen de parasoldennen, de droge akkers en de olijfbomen gestrooid. Bovenaan de rechtopstaande beige rots kleven de cactussen als mosselen aan een pier. Niet alle huizen hebben een dak, van dat ene overwoekerde huis hier recht onder, die holle kies waarin je kijkt, staan alleen de muren overeind. De witte verf bladdert er vanaf. Geen dak of glas of bewoner.

(Vier) De oude man onder de olijfboom loog dat hij familie van Don Quichote was. Maar ik luisterde naar hem, want luisteren opent de hof van Eden voor je.  En leugens openen wegen naar nieuwe werelden, waar de waarheid ons vasthoudt in het oude. Ik weet waarom we leven, zong hij met zijn raspende zigeunerstem, si, si, si, ik weet waarom we leven. Dit donkere heelal hier boven, met al die sterren en nevels en lichtbronnen en zwarte gaten, dit donkere heelal dijt uit als een ballon die je opblaast in een lichtsoep. Si, si, si, In een lichtsoep met werelden vol edelstenen. Die uitdijing moet ongedaan worden gemaakt door miljarden mensengeesten. En daar is een maat voor gesteld. Si, si, si, daar is een maat voor gesteld. Dit leven bereidt ons voor op de inkrimping van het universum. Ons universum is als een baarmoeder die uitdijt en samentrekt. Si, si, si, als een baarmoeder die uitdijt en samentrekt. En wij leven om onze bijdrage leveren aan de samentrekking. Aan de instorting van het donkere heelal hierboven. Zodat de lichtsoep resteert. Si, si, si, zodat de lichtsoep resteert. Wij moeten door de fase van de ballon heen. Dan bevrijden wij onszelf van duisternis en de wetten van de materie. Daarom leven wij. Si, si, si, daarom leven wij.

(Vijf) De mijmerende hoek van San Fernando. Starbucks onder dromende sinaasappelbomen.  De aluminium zon van 1 januari 2011. Luie Sevillanos in smetteloze communiekleren. 19e eeuwse paardenkoetsen ratelen door vrede spuitende fonteinen. Iemand die zich niet verantwoordt trekt  een tram door het beeld. Zoet geurt vlakbij de lente uit de vrouwen in de parken met delftsblauwe brugleuningen van lang geleden en op vruchtbare gronden langs de rivier. Picasso, Lorca  en De Falla verschijnen in mijn sigarenrook. Hier, waar de atmosfeer is als een lichte cape, gijzelt het hotel Alfonso XIII de voortgang en weigert de tijd te verplaatsen. Hier, waar de atmosfeer zich weigert te verdichten als in een gifwolk, dalen witte duiven neer op de zigeuner die een paar munten bij elkaar zingt in liederen waar de duende in rondgaat als een fladderende vleermuis.

(Zes) Het schuim van de oceaan is tot een gebouwenreeks opgestuwd  op de landtong. De landtong kromt als de maan in een eerste kwartier. Er gaan maanden voorbij dat de wind niet wil wijken. Maar de zee valt nergens aan. Ze is de mantel van Cadiz. Decemberlicht, teder als de wind uit de zee, vouwt de stad open op dit uur van de dag, dat kromt als de maan in zijn eerste kwartier- er is althans geen rechte lijn te bekennen, zelfs niet in de tijd. Er gaan maanden voorbij dat werk niet van wijken wil weten, maar vandaag vallen de plichten nergens aan, en de seconden en minuten kennen geen regelmaat. Ze hebben een ritmestoornis.

(Zeven) Toen reden we van Malaga naar Cadiz. Nadat we in het huis van Picasso eerst zagen hoe de schilder vlees en bloed lossneed, en terugdacht naar een spel van lijnen en vormen die hij opnieuw schikte en bovendien in ander licht zette, toen reden we dan eindelijk naar Cadiz. Langs de snelweg. Langs woorden-schieten-te-kort-bouwputten, massatoeristische gran dorado’s, landal green & center parcs, flats die aankoekten op opgespoten kusten in onderkoelde crème- en zalmkleuren. Zongeblakerde mensendozen, aangebrande gepensioneerden die afbladderen in zachte winters, en die van TS Eliotlandschappen een onderwereld, een doorgerotte bijlmer hebben gemaakt. We stierven even in verveling die afliep naar de kust en in de zee verdween.  Toen reden we Gibraltar voorbij en verdween het effectbejag uit het landschap en glooiden tussen het Andalusische decembergroen de paarden met hun cowboys, de zwarte stieren onder de witte dorpen, bergen die gebocheld uit het land waren gebroken en iele stromen die rivieren wilden heten. Toen we naar Cadiz reden en de zon niet uit de wolken wilde komen en Marokko ver voor de horizon uit de oceaan opsprong en alles mooi, romantisch en onvergetelijk met gele brem en ruïnes van hacienda’s opgesierd. Toen we Cadiz bereikten en daar iets nieuws vonden dat in Spanje woonde, maar geen Spanje was. Een stad, los van het land als Venetië. Een stad als een eiland. Onderhouden, niet verwaarloosd. Iets nieuws, Cadiz. Een stad die ouder bleek dan alle Europese steden, maar ongerepter, maagdelijker en minnekozend omvaamd door de zee.

(Acht) Middenin het kerstgedruis. Een plein in Malaga vol mensen op terrassen. Dure kostuums. Smaakvolle jurken. Geklede schoenen. Hoge hakken. Hele hoge hakken. Vertrouwd gedruis, winkelmensen. Niemand die zich losmaakt van elkaar. Mensen verscholen in menigtes, mensen schuilend in gekuier. Maar dan hij. Versleten kleren. Ongekamd haar. Stoppels. Zijn ogen met een glans, alsof hij zojuist een vadermoord pleegde. Een glans waarin goden met demonen vochten. Zijn ogen met een stem die diep uit de aarde grauwde. Harde woedende kreten, ongeschaafde stem, maar iedere toon zuiver. Hamerslagen op de boordkartonnen kerstsfeer met valse lichtcliché’s. Hij zong de noten uit hun lijnen, hij kraakte kraters in het plein. Middenin het kerstgedruis.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s