De dood volgens Bert

Wat is de dood? Daarover bestaan evenveel opvattingen als mensen. Er zijn er die geloven dat het in één keer afgelopen is wanneer je sterft. Mulisch was zo iemand. Je gaat als het ware voor altijd slapen. Hermans noemde het ‘Nooit meer slapen’. Lekker rustig. De weg naar de dood is moeilijker.  Een hobbel. En niet voor iedereen een rustige hobbel. Zo ongeveer is het idee van mensen die niet geloven in leven na de dood. Ze voelen zich gesteund door modern wetenschappelijk onderzoek dat volgens hen duidelijk laat zien dat er buiten dit leven en universum geen ander leven is. Sommigen zijn daar erg stellig in.

Ik zelf geloof wel dat er hierna iets is, en ik wil die opvatting onderbouwen. Ik pretendeer niet objectief te zijn, al is mijn geloof (want een geloof is het) wel ergens op gebaseerd. Op veel onderzoek vooral; in het dagelijks leven en in boeken. In die volgorde.

Wat ik in de eerste plaats geloof, is dat dit leven slechts een onderdeel is van een groter leven dat we leven. Of hiervoor iets was weet ik niet, maar ik sluit het niet uit. In een hiernamaals geloof ik. Het helpt voor mij dat talloze mij voor zijn gegaan in de dood. We gaan er alleen doorheen, maar we delen de ervaring. We gaan allemaal dood, nietwaar?

Ik geloof ook in een doel. Alles heeft een doel en alles heeft zin. Ik ken veel bezwaren tegen deze manier van denken, vooral uit de biologie. Daar wordt wel beweerd dat alles toeval is. De bioloog Gould vond mensen die iets anders beweerden ‘romantici’. Dat zie je vaker in de wereld van materialisten. Ze kwalificeren mensen die in iets geloven als mensen die niet voldoende nadenken, als zwevers, als dichters en in elk geval niet als mensen die hun gezonde verstand gebruiken.

Zoals ik zei: alles heeft een doel. Daar wil ik het over hebben. Ik heb het gevoel dat de big bang een explosie was in een grote ‘lichtsoep’. Daar heeft een crisis plaats gevonden. Tussen wat of wie? Ook hier geeft mijn geloof een antwoord.

In vrijwel alle godsdiensten, romans, films en kunstuitingen gaat het ergens om de strijd tussen het goed en kwaad. De Perzen kenden bijvoorbeeld de machten van het licht en de machten van het duisternis. Elke religie heeft wel zo’n element. De strijd tussen goed en kwaad wordt in de bijbel gezien als een strijd tussen engelen. In het hemelse kamp zien we Michael, de tegenstander (satan in het Hebreeuws) heeft in de westerse literatuur de naam Lucifer, Faust of de duivel gekregen.

Beide machten worden voorgesteld als machten en de ‘tegenstander van god’ wordt vergeleken met een ‘gevallen morgenster’. Dat vind ik een mooie verwijzing naar ons universum. Ik ben in mijn leven gaan geloven dat de big bang gelijkstaat aan val van de morgenster.

Met de big bang is een fase begonnen die ik wil beschrijven als ons ‘grote leven’. Dit leven dateert van voor de big bang en loopt door tot het einde van het universum. Ik geloof dat ons wezen oorspronkelijk licht en energie is; een gedachte die ik heb ontleend aan verschillende godsdiensten en het chinese ‘chi’ principe.

In dit leven zijn we gematerialiseerd en gelocaliseerd in een universum dat momenteel uitdijt in een lichtsoep (ontleend aan natuurkunde). Die materialisering is een onderdeel van ons groeiproces. Het is een tunnel waar we doorheen moeten. Heel veel problemen die we hier hebben zouden zonder ons materieel zijn niet kunnen bestaan. Vrijwel alle behoeftes en begeerten komen er uit voort. Oorlogen en moord en zo komt daar uit voort. Zo zie ik dat.

Onze kern (ziel mag ook) bestaat uit voor ons onwaarneembare substantie en kan –bevrijd uit dit lichaam- gebruik maken van energie. Ik zal hier de wetenschap tegenover me vinden. Die geloven vrijwel niet meer in een ziel die los van het lichaam bestaat. Neurologen als Swaab en Goldberg schreven daar recent nog boeken over.  Maar ik geloof er toch in, omdat ik erg veel verhalen ken van mensen bij wie lampen gaan knipperen of vogels tegen de ramen vliegen wanneer ze net dood zijn. Ik neem die verhalen serieus en geloof dat ‘doden’ gebruik maken van vogels, vlinders en stroom. Misschien moeten ze dat leren.

God is de geïnspireerde macht van het goede, die alle andere energieën en zielen inspireert en tot leven wekt of omstandigheden schept om ze tot leven te laten komen. Dit om naar een eigen wil toe te werken, die uiteindelijk iets constructiefs bewerkstelligt in plaats van iets negatiefs.

Hoewel niemand God ooit echt gezien heeft in deze mensenwereld (idee ontleend aan hebreeuws gedachtengoed), is mijn concept van hem even simpel als inwisselbaar: het is de hoofdenergie die alles inspireert, aanstuurt en naar een hoger doel brengt via ons ‘grote leven’, dat dit leven overstijgt. Reïncarnatie kan maar hoeft niet in die opvatting.  De een heeft aan één gematerialiseerd leven voldoende, de ander heeft verschillende levens nodig.

Tijd en ruimte zijn onbelangrijk voor onze (tijdelijk in dit leven gevangen) energie. Eenmaal bevrijd dan zijn deze energieën of zielen vrij om zich te bewegen door de ruimte.  Wij zijn dus niet meer of minder dan ‘bezielde energie’; energieën met een wil. God bemoeit zich met het begin, zet het in werking en helpt hen die zich voor ‘hem’ of ‘haar’ openstellen. (Ik denk dat man/vrouw-onderscheid bij dit materiële leven hoort en niet bij het geestelijke).

Ons universum is het gevolg van een crisis, die in verschillende godsdiensten verschillende omschrijvingen kent, maar die plaats heeft gevonden in de voor ons onwaarneembare wereld, die andere dimensie die uiteindelijk wel een uitdrukking vindt in de ons bekende materie; zoals de geest van een kunstenaar zich uitdrukt in het kunstwerk.

Terug naar de dood. Hoe zie ik die? Wat geloof ik? Ik volg hier de beelden die tot ons komen uit bijna dood ervaringen. Ik weet dat wetenschappers die niet serieus nemen, althans niet als werkelijke flitsen uit een hiernamaals, maar ik geloof dat wel. Of je nu wel of niet hersendood bent, waarom zou ‘de andere wereld’ geen beelden kunnen toesturen naar mensen die klinisch maar niet officieel dood zijn?

Als je niet uitgaat van een andere wereld, moet je alles psychologisch of biologisch verklaren. Niet dat dat erg is, maar ik geloof het niet. Dan moet je zeggen dat dromen producten zijn van ons lichaam, en dat de hele evolutie geheel op toeval berust. Ik zeg niet dat dit niet zo zou kunnen zijn, ik geloof er alleen geen bal van.

Het is mij allemaal een beetje teveel toeval. Er gebeurt mij allemaal een beetje teveel verrassends. Toeval bevredigt mij niet,net zo min als de stelling dat de mens louter gericht zijn op voortplanting of zelfs maar voornamelijk op voortplanting.

De dood, want daar zou ik het over hebben, is wat mij betreft een overgang. Ik geloof (en ik volg hier de bijna-dood-ervaringen) dat de dood een aangename gebeurtenis is. Op het sterfbed van mijn vader blies hij zijn laatste adem uit toen ik tegen hem zei dat hij mocht gaan.  Kan toeval zijn, maar misschien was het het laatste duwtje dat hij nodig had om de tunnel in te gaan die naar het hiernamaals leidt.

In dat hiernamaals, zo geloof ik op basis van de BDE-ervaringen, worden we verwelkomd door voorgeslacht. We krijgen daar andere ogen, we gaan ons leven nog een keer herbeleven (tijd doet er niet toe) maar vanuit een ander ‘lichaam’. Mogelijk het soort lichaam dat Jezus kreeg na zijn opstanding. Een lichaam van licht dat door muren heen kon (er is materie die zich niet stoort aan materiële begrenzingen,  leert ons de natuurkunde). Ik wil dit wel geloven maar weet het niet zeker.

Nadat ons leven is doorgenomen met een lichtgevende zachtmoedige ‘engel’ (komt voor in verschillende BDE-beschrijvingen) zal een volgende fase in treden, die ons verder brengt in ons ‘grote leven’.

De dood is voor mij dus niet bedreigend of akelig. Wel ook verdrietig omdat je tijdelijk afscheid neemt van je geliefden. Maar die zie je terug. Die zijn je ook voorgegaan naar dat andere leven. Bart Chabot had het er onlangs nog over op teevee. Hij had een zware operatie aan zijn hoofd en zag een hek waar hij door heen moest. Als ik daar doorheen ga, ben ik dood. Hij dacht onmiddellijk dat Herman Brood en Martin Bril ook door dat hek waren gegaan.

Tot mijn eigen overgang of dood mogen de ‘doden’ af en toe een lampje bij mij laten knipperen. Graag zelfs.  In dit kader nog een grappige vertelling. Kort na de dood van mijn vader kreeg ik drie keer in een maand vogelenpoep op mijn hoofd. Echt waar. Mijn vader zei tijdens zijn leven wel eens dat je je niet op je kop moest laten schijten.

In dezelfde periode vlogen bij mijn moeder, mijn zus en bij mij merels tegen het raam. Voor de liefhebber heb ik nog een stuk of tien van zulke verhalen. Zal ik ze eens opschrijven? Jullie verklaren me voor gek. En de wetenschappers ben ik natuurlijk allang kwijt.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s