Een groot mensch in Mirafiori, 1994 (Herinnering aan Mulisch)

In de jaren negentig had ik een favoriet restaurant aan de Vossiuskade in Amsterdam, waar ik wekelijks kwam. Het restaurant heette Mirafiori. Het was met zijn valse poortjes, zwart-witte operafoto’s en buigende obers in pak, maar vooral vanwege het eten, een Italiaans eiland in het hart van Amsterdam. Het was een traditioneel restaurant zoals je dat in Rome wel kan tegenkomen; sober in uitvoering, maar met eten dat je smaakpapillen betovert.

Dat er ook bekende Nederlanders kwamen eten was een bijkomstigheid. Je liet ze met rust. Bovendien: als je er regelmatig kwam, vielen ze je niet meer op. Ze werden ook niet met meer egards behandeld, al was de ober kelner vol respect en bewondering wanneer die ene gast binnenkwam, die vaak in zijn eentje was. Het was dan ook een ‘senor’, een heer van stand zou Maarten Toonder’s Olivier Bommel gezegd hebben.

De man was er op zijn gemak. Hij nam er de maaltijd tot zich in een rustige sfeer, keek een beetje rond door het restaurant en zat wat voor zich uit te denken. Regelmatig stopte hij een pijpje.  Hij maakte altijd een geamuseerd praatje met de ober kelner en deed aimabele knikjes naar mensen die binnenkwamen.

Ik was toen een jaar of 35, en mijn geest wilde om de een of andere reden altijd eenheid van sfeer, alsof de wereld een katholieke kerk was, waarin de afzonderlijke zintuigen geprikkeld moesten worden door dingen die qua stijl op elkaar afgestemd waren. Zoals wierook bij gregoriaanse gezangen in een middeleeuwse kathedraal. In een Italiaans restaurant moest dan ook opera gedraaid worden, en chianti geschonken worden.

Harry Mulisch, want hij was de man met het pijpje, paste om de een of andere reden erg goed bij Mirafiori. Ik had een paar verhalen van hem gelezen. Het was allemaal begonnen met Het zwarte licht. Als 14-jarige maakte de sfeer van dat boek een diepe indruk op me. Ik denk niet dat ik er veel van begreep, maar de beschrijvingen sleepten me mee in een universum dat me fascineerde.

Toen mijn Nederlands leraar Daan Mulder het verhaal Meneer Tiennoppen voorlas, herlas ik het daarna en herlas ik het nog eens. En kort daarop Het Stenen Bruidsbed. Dat had hetzelfde diepe effect. Ik las het onlangs terug, en bedacht dat het moest komen door de beeldende, vervreemdende manier van schrijven. Hierbij moet men denken aan zinnen als ‘Tevreden knabbelde de zon aan het grijsblauw brussels kant in het dal (…) in de diepte bewogen bomen.’

Verderop in de tijd, verdween ik in boeken als ‘De zaak 40-61’, ‘De ontdekking van de hemel’ en ‘Siegfried’. Achteraf valt me die hoeveelheid boeken nog mee.  Ik was als fan van Hermans en Heeresma, mannen met krachtige stemmen en opvattingen, niet zo onder de indruk van Mulisch die een beetje als een salonsocialist bekend was komen te staan. Toch wist Mulisch me altijd weer te prikkelen met zijn boeken.

Ik zal hem nooit ‘de grote één’ noemen, zoals een man als Abrahams in het NRC deze week deed. Mulisch was een topper, maar dat waren Hermans en Reve ook. En wat te denken van het werk van Heeresma in de jaren ’60 en ’70, van mensen als Remco Campert, Maarten ’t Hart, Marga Minco, Mensje van Keulen en Maarten Biesheuvel, van FB Hotz en wie niet allemaal? We hebben gewoon een erg goede literaire generatie voorbij zien trekken.

En daar in Mirafiori won hij mijn sympathie. Niet dat iemand daar in Nederland daar nou van onder de indruk komt, dat de grote Harry Mulisch de onbekende Bert Overbeek sympathie afdwong, maar wat maakt het uit? Het gebeurde. Het was januari 1994. En na een paar glazen chianti raakte ik ontremd. Ik zag hem naar het toilet gaan. Ik ging kort daarna, ogenschijnlijk toevallig. Toen hij zijn handen had gewassen, sprak ik hem aan.

‘Meneer Mulisch, mag ik u de hand schudden?’

Hij stak zelf zijn hand uit.

‘Natuurlijk.’

Hij keek me aan, vriendelijk. Misschien zag hij dat de chianti in me werkte.

‘En waaraan dank ik die eer?’ vroeg hij.

‘Uw boek De ontdekking van de hemel heeft me helemaal te pakken. Het is fantastisch als mensen je zo’n cadeau geven in dit leven. U maakt mij erg gelukkig met zo’n boek en daar wil ik u graag voor bedanken.’

Hij nam mijn bedankje in ontvangst alsof hij het van een voor hem bijzonder belangrijke persoon kreeg. Toen was ik om. Een dag later, gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen. Toen ik met een klagende hoofdpijn wakker was, en me rot geneerde voor mijn opdringerigheid, herinnerde ik mij zijn sympathieke en aimabele reactie.

Hoezo was Harry Mulisch arrogant?

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s