De dag van Kranacha

In 1995 reisde ik door Andalusië. Het land inspireerde me tot een kort verhaal. Het vertelt een beetje hoe volgens mij godsdienst tot stand komt. ‘De dag van Kranacha’ raakte in de jaren negentig de componiste Sonja Beets zo, dat zij er een compositie aan wijdde. Bij herlezing zag ik wel wat vormfouten, maar de strekking van het verhaal blijft ferm overeind voor me. Je kunt er goed in verdwijnen, in dit verhaal. Ik zou het lekker doen.

i.

Toen Osram I stierf, zou het hebben moeten regenen, maar het had al twee jaar niet geregend in de stoffige bergen van het zuiden. Aan het hof van koning Osram II prevelden de bedienden al maanden wanhopige gebeden om het droog­vallen van bronnen en putten op te laten houden. De vochtvoorraden van het ommuurde pa­leis met de 21 torens waren uitgeput geraakt. Niemand had de on­weersbui dan ook verwacht toen Osram I de laatste adem uitblies.

De bui kwam even onverwacht als de dood van de vader van de ko­ning. Het was de kleinzoon van de koning die een link legde tussen de twee gebeurtenissen. Hij had gezien hoe de eerste blikseminslag samenviel met de dood van zijn grootvader. Van­uit een hoefijzer­vormige venster van het paleis zag hij hoe een bliksemstraal de ruïne trof van wat ooit een wit woonhuis was geweest. Onmiddellijk hierna hoorde hij vanuit de vertrekken aan het hof plotseling het geweeklaag van zijn moeder Ahrina, de koningin. Dit zag de prins als een teken uit de hemel.

God had nog geen vaste vorm in het zuidelijke rijk van de Osrams. Men bad tot een opperwezen en bleef erop vertrouwen dat het luis­terde, maar er bestond nog geen geestelijkheid die voorschreef hoe het wezen diende te functioneren en die uitlegde welke gevolgen dat had voor volk en individu. Dat Osram I een bijzondere relatie had met dit opperwezen, stond voor zijn kleinzoon echter vast. Zijn grootvader keek vaak uit van de hoger gelegen paleistuinen over het droge hooggebergte in het oosten. Wanneer de prins dit zag en aan zijn grootvader vroeg wat hij deed, dan zei de oude bebaarde koningsvader dat hij met de goden sprak.

‘U spreekt met de goden?’

‘Ja, jongen.’

‘Maar u zegt helemaal niets. U staart maar wat.’

‘Ik spreek door te zwijgen. Dat doen de goden ook. Ze houden niet van veel woor­den. De woorden zijn gesmeed door de machten van het kwaad.’

En dan pakte Osram I een groot boek en vroeg hij of de prins hem verder alleen wilde laten, omdat hij de wijsheid moest noteren die de grote almachtige God hem in stilte had laten zien.

‘Wat voor wijsheid dan?’ wilde de prins weten.

‘Licht en liefde voor de mensen’ antwoordde Osram I en dan zuchtte hij en sloot zich weer op in de onbereikbaarheid van een verzonken gelaatsuitdrukking. Even later zag de prins hem schrijven en vroeg zich af waarom zijn grootvader zijn ervaringen in woorden opteken­de, terwijl hij wist dat ze waren gesmeed door de machten van het kwaad.

ii.

Niet iedereen in het rijk betreurde de dood van Osram I. Onderaan één van de zeven heuvels waarop het paleis lag, leefden in tot woning omgebouwde grotten een aantal gezinnen die afstamden van een groep Oepanja’s. Vier generaties terug waren een aantal Oepan­ja’s uit het oostelijk rijk vertrokken om zich hier te vestigen, niet ver van de rivier. Osram I had minstens dertig Oepanja’s be­schuldigd van misdaden die ze niet hadden gepleegd. Zo stelde hij ze verantwoordelijk voor de misoogst in het derde jaar van zijn regering en liet toen vijf van hun mannen onthoofden. Ook had hij ze verboden hun op kleitabletten geschreven wetten na te leven. De ene rustdag die ze per week wilden eerbiedigen accepteerde de vorst onder geen beding. Er moest altijd gewerkt worden.

Toch deed Osram I vaak een beroep op één van de Oepanja’s. Zijn naam was Rahjid en hij was timmerman. Hij had twee zonen en één dochter. Zijn zonen heetten Ramos en Jidhar. Zijn dochter luister­de naar de prachtige naam Kranacha. Ramos was ge­trouwd met Ama­ran­ta en ze hadden een zoon die Rahjid heette.

‘Jammer dat je een Oepanja bent’ verzuchtte de vorst ooit tegen Rahjid, onderwijl drinkend uit de schedel van een onthoofde Oepan­ja ‘Anders zou­den we vrien­den kunnen worden. Je bent de enige met wie ik in dit rijk over ho­gere dingen kan spre­ken.’

Een paar dagen voor zijn dood had Osram I Rahjid ontboden aan het hof. Ze hadden ge­sproken over de misoogst.

‘Worden jullie kleitabletten soms weer geëerbiedigd?’ vroeg de vorst.

‘Nee’ loog Rahjid ‘Hoezo?’

‘Omdat het maar niet regenen wil’

‘Het zal regenen. Spoedig.’ glimlachte Rahjid ‘Het litteken op mijn heup spreekt en dat spreekt alleen als het gaat regenen.’

‘Je bent een wijze man, Rahjid. Jij kent de enige stem die waar­heid spreekt. Je hecht niet aan woorden. Lege dozen zijn het en dat weet je. Daarom wil ik je iets laten lezen.’

Osram I trok aan een koord, waardoor er een klokje klonk. Eén van de bedienden bracht het grote boek, waar prins Osram zijn grootva­der vaak in zag schrijven.

‘In dit boek, waarde Rahjid, staat alles wat mij de laatste jaren door de hoogste go­den aller werelden is geopenbaard. Ik wil dat je het leest. Ik wil van je weten of de woorden toereikend zijn. Of de wijsheid erin tot leven komt, of er juist in sterft. Als ze erin tot leven komt, zal ik mijn zoon Osram II opdragen het tot wet van het Os­raamse Rijk te maken.’

Rahjid beloofde het boek zeer goed te zullen lezen. Toen hij met zijn ezel de berg afdaalde, ervoer de Oepanja enige tegenzin. Hij wist dat de boeken nooit het niveau konden hebben van de kleita­bletten, die volgens de overlevering door de goden zelf beschreven waren. Osram I was een wijs man, daar twijfelde Rahjid niet aan. Hij zag veel dat voor anderen verborgen bleef. Maar de vorst, en Rahjid besefte dat dit door zijn functie kwam, dichtte zichzelf in het geheel der dingen een te belangrijke positie toe. Rahjid vond dat Osram I het voorrecht had om uit de rivieren van zijn wijsheid te drinken, maar dat hij niet goed met dit voorrecht omging. Hij nam het goddelijke water uit de rivier en sloeg het op in flessen. Die voorzag hij vervolgens van de kleur van zijn beperkingen met de kwas­ten van zijn zelfgenoegzaamheid. Niet de rivier presenteer­de hij vervolgens als een afspiegeling van het goddelijke, maar de flessen.

Zo maakte hij zichzelf tot een onmisbaar medium van het hogere en Rahjid vond dat hij dat niet was. Hij vermeed dit onderwerp steeds listig in de gesprekken met de vorst. Als hij zich zou uitspreken, zou de vorst hem zonder pardon onthoofden.

Maar nu, nu de vorst hem zo uitdrukkelijk om zijn mening had ge­vraagd, moest hij zich wel uitspreken. In het belang van de klei­tabletten. Rahjid mopperde op de goden en vroeg zich af waarom juist hij deze zware taak op de schouders had gekregen.

iii.

Rahjid was net gaan liggen voor zijn middagslaap toen hij uit zijn slaap-waaktoestand wakker schrok door een geweldige donderslag. Hij liep naar de deur van zijn grotwo­ning en stelde vast dat het litteken op zijn heup hem ook deze keer niet had bedro­gen. Het regende pijpestelen. De mensen kwamen uit hun woningen en dansten op straat. Iemand riep dat de goden zijn geboden had verhoord en de rivieren en bronnen weer met water vulden.

Toen Rahjid de achterkamer van zijn grotwoning in liep, zag hij dat zijn dochter Kra­nacha in het boek van Osram I zat te lezen.

‘Kranacha. Vrouwen behoren dat soort boeken niet te lezen.’

Ze sloeg haar ogen neer en Rahjid wist dat dit meer uit opstandig­heid gebeurde dan uit schaamte. Hij kende zijn dochter als zijn eigen arm. Ze was zijn lievelingskind vanwege haar moed en heldere denkbeelden. Soms voerde haar eigenzinnigheid hem te ver, meestal als ze zich in de polemieken over de kleitabletten mengde. Het was vrouwen niet toegestaan om dit te doen, zo stond geschreven. Kra­nacha was echter zo spits van tong en zo tegenwoordig van geest dat Rahjid haar vaak liet begaan. Pas als ze inzichten begon te verkondigen die strijdig waren met de wetten, snoerde hij haar de mond, hoewel hem dit ook zelf niet bevredigde omdat Kranacha de zwakte van de wet met de wet blootlegde en dit bracht Rahjid van tijd tot tijd aan het twijfe­len.

‘Vrouwen moeten ze juist lezen’ zei Kranacha ‘Dit boek heeft groot ontzag voor de vrouw. Overspelige vrouwen moeten volgens onze kleitabletten verbannen worden naar de woestijn. Mannen gaan vrij­uit. In dit boek gaan de vrouwen vrijuit en worden de mannen ont­hoofd in geval van overspel.’

‘Wartaal’ zei Rahjid ‘Osram I heeft deze bepaling opgenomen omdat zijn geliefde moe­der door zijn vader vermoord werd toen hij een andere vrouw ontmoette met wie hij wilde samenwerken. Ze heette Anacha en was een nicht van je grootmoeder.’

Kranacha haalde haar schouders op.

‘Dan heeft deze Anacha iets goeds gedaan. Als zij er niet was ge­weest, was Osrams vader keurig getrouwd gebleven. Dan was er in het denken van Osram I niets ge­beurd. Wat zou er dan van hem zijn geworden? Dan had hij ons Oepanja’s allemáál uitgeroeid in plaats van zijn tijd te benutten met het schrijven van een dagboek.’

‘Misschien’ zei Rahjid ‘Misschien niet. Door Anacha is hij de Oe­panja’s hevig gaan haten. Als dit niet was gebeurd was hij mis­schien rechtvaardiger geweest tegen de Oepanja’s. Zo beschouwd heeft Anacha veel kwaad over ons afgeroepen.’

iv.

De procalamatie van de dood van Osram I vond drie dagen na zijn dood plaats op het Plein van het Heilig­dom, dat voorvaderen hier eeuwen geleden hadden neergezet. Rahjid was geschokt, maar wist dat hij de goden dankbaar moest durven zijn. Nu hoefde hij zijn mening over het boek niet te geven en hiermee ontliep hij een wis­se dood. Rahjid kende zichzelf. Hij had zich voorgenomen om de vorst ronduit mee te delen wat hij van het boek vond. Maar schrif­telijk. Niet mondeling. Want hij was ondanks de prachtige hierna­maalsbeloften op de kleitabletten, bang voor de dood.  Deze angst zou een brandende kool kunnen worden die hem de lippen verzegel­de, waardoor de waarheid over het boek van de plotseling gestorven vorst nooit gezegd zou zijn. Daarom had hij zijn gedachten opgeschreven.

‘Goddelijke eminentie is een fontein van ontelbare vonken, waaruit licht kan ontkie­men indien de menselijke geest ze in bescheiden­heid ontvangt. Het besef iets kost­baars te ontvangen moet groot zijn. Anders doven de vonken. U ontvangt die von­ken. Ik heb dat met eigen ogen kunnen zien. U heeft zich immers vaak een wijs man getoond. Maar nu rooft u de goddelijke vonk ter meerdere eer en glorie van uw eigen persoonlijkheid. De goddelijke vonken voor eigen gewin inzetten is vergelijkbaar met een brandende fakkel in zee gooien. Zal het water vlam vatten?

U wilde mijn opinie horen. U krijgt hem te horen. Ik denk dat u het volk een grotere dienst bewijst met zwijgen dan met spreken. Uw blik vertelt de mensen al voldoende over de goddelijke vonken.

Mijn advies is om dit boek te verbranden. Het zal de goden tot een welriekend offer zijn en dat is goed voor de oogst, Majesteit.’

De brief had nu zijn zin verloren. Om te voorkomen dat het in ie­mands handen zou vallen deed hij het in een zak en stapte hij op zijn paard om naar de Diepe Rivier te rijden die nooit droog viel. Daar zou hij het boek in werpen. Maar onderweg verstapte zijn paard zich en brak een been. Rahjid raakte door de val buiten be­wustzijn en kwam weer bij in een klein boerderijtje met een olijf­gaard. Een oude Osraamse vrouw en man hadden hem gevonden en waren zo barmhartig geweest hem te verzorgen. Zijn paard was verdwenen en dat zag Rahjid als een teken van onheil. Aan het einde van de dag brachten ze hem terug naar zijn familie. Rahjid vroeg naar het boek maar het oude echtpaar had geen boek gezien.

v.

Op hetzelfde ogenblik waren Ramos en Jidhar, de zonen van Rahjid, aan het werk in de kalksteenmijnen van de Osrams. Ze waren de eni­ge Oepanja’s die hier werkten en dat leidde soms tot spanningen met Kolmar en Droechar, twee ijzersterke Osramen. Tot dusverre hadden de spanningen nog niet tot een handgemeen geleid. De mannen beseften dat ze het zware werk samen moesten voltooien en dat ze elkanders dag­loon niet ophoogden met conflicten.

Het was een zeer hete dag. Prins Osram had genoeg van de sfeer van rouw die op de hoven van het paleis heerste. Hij had veel verdriet om de dood van zijn grootvader, maar de sfeer op het paleis stemde hem treuriger en zwaarmoediger dan hij wilde zijn. Daarom besloot hij vandaag de mijnen maar te gaan inspecteren. Toen hij daar aan­kwam, overhandigde een opzichter juist een groot boek aan de hoofdopzichter.

‘Het is van Osram I. Iemand vond het op een stoffige landweg, niet ver van de rivier’ lichtte de opzichter toe.

‘Ik zal het hof verwittigen’ sprak de opzichter die verheugd was met de vondst, om­dat hij er mooie sier mee kon maken bij de konin­kijke familie. Hij sloeg het boek open, bladerde er vluchtig in, las het woord ‘goden’, bladerde toen nog vluchtiger en stopte even bij de laatste bladzijde, waar hij las dat de tekst van dit boek de onomstreden grondwet van het Osraamse rijk was. En wel op god­delijke beschikking.

‘De oude gek’ mompelde de hoofdopziener.

‘Wie is een oude gek?’ klonk de stem van de prins plotseling. De hoofdopzichter keek geschrokken achterom. Daar stond Osram met zijn lijfwacht.

‘Eén van de opzichters.’

‘Welke opzichter?’

‘Eh…Basram de vlotbouwer.’

‘Onthef de oude gek uit zijn functie. Onmiddellijk. Nu.’

De prins vertrok geen spier van zijn aangezicht.

‘Tot uw orders, majesteit.’

‘Ik kon de mijnen inspecteren.’

‘Ik zal u rondleiden. Maar ik wil u eerst iets laten zien. Dit boek werd vandaag gevon­den, niet ver van de rivier.’

De hoofdopzichter overhandigde het boek aan de prins die grote ogen opzette toen hij vernam dat het van zijn grootvader was.

De mannen hielden een werkpauze. Ramos en Jadhir zaten zoals ge­bruikelijk apart.

‘He, Ramos’ riep Droechar ‘De oude Basram vraagt of je naar zijn hok komt’

Zonder iets te zeggen stond Ramos op en liep naar het hok van de oude Basram. Een stevige wandeling over droge gebarsten grond van vijf minuten, niet ongevaarlijk vanwege de slangen. Basram was niet bij de hut. Ramos wachtte bij de ingang, tot­dat hij na twee minuten de secretaris van de opzichter zag.

‘Waar is Basram?’

‘De oude is ontboden bij de hoofdopzichter.’

‘Hoe lang gaat het duren?’

‘Geen idee’

‘Hij had me ontboden’

‘Hij heeft niemand ontboden.’ zei de secretaris ‘Hij heeft hier de hele ochtend zitten slapen.’

Hieruit maakte Ramos op dat Droechar een grap met hem had uitge­haald. Hij nam het gelaten op en liep onaangedaan terug naar de plaats waar de mannen hun werkpauze hielden. Vlakbij de plaats hoorde hij zijn broer Jidhar om hulp roepen.

‘Ramos. Ramos’

Ramos keek en zag hoe zijn broer werd afgeranseld door Kolmar en Droechar. Hij rende naar zijn pikhouweel en stormde erop af. Kol­mar en Droechar zagen het, lieten Jidhar los en maakten zich uit de voeten. Ramos zette de achtervolging in.

Juist op dat ogenblik inspecteerde de prins op zijn paard de mij­nen, onder begeleiding van de hoofdopzichter die zoëven Basram naar huis had gestuurd.

Ze stonden bij een plaats met cactussen in de gloeiende zon, toen Droechar en Kol­mar voorbijrenden. Zeer kort daarna volgde, blind van woede, Ramos met zijn pikhou­weel. De prins zag aan zijn gele broek dat hij een Oepanja was. Hij knikte naar zijn lijfwachten en zei ‘Grijp die Oepanja en breng hem hier’.

Drie mannen zetten de achtervolging in en vingen Ramos met een soort lasso. Ze sleurden hem liggend naar Osram. Een van de lijf­wachten droeg de houweel.

‘Sta op’ beval Osram. Dat lukte niet onmiddellijk want hij had een wond aan zijn been.

‘Zet die Oepanja op zijn benen’

Twee lijfwachten sprongen van hun paard en zetten Ramos ruw over­eind.

‘Oepanja’ zei de prins kalm.

‘Mijn naam is Ramos’

‘Je weet wie ik ben?’

‘Nee’

De prins gebood de hoofdopzichter te vertellen wie hij was. De hoofdopzichter ge­hoorzaamde.

‘Waarom werkt hij niet?’ vroeg de prins ‘Waarom rent hij als een geblinddoekte pan­ter achter twee Osramen aan tijdens het werk? Waarom verspilt hij zijn energie aan zinloosheid? Heeft u hem dat geleerd, hoofdopzichter?’

‘Natuurlijk niet, majesteit. Dit is opstandigheid.’

‘Opstandigheid? Onder uw hoede?’

De hoofdopzichter zweeg.

‘Ik onthef u met onmiddellijke ingang uit uw functie.’

‘Maar majesteit…’

‘Ik kan u ook ter plaatse met het kromme zwaard laten villen. U kunt nu beter gaan.’

De hoofdopzichter droop af.

‘En nu hij. Waarom achter volgde je eigenlijk twee Osramen, Oepan­ja?’

‘Ze hebben mijn broeder geschopt’

‘Ze hebben je broeder geschopt. Ze hebben een Oepanja geschopt. Mannen, horen jullie wat die Osraamse schurken hebben gedaan? Ze hebben een Oepanja geschopt.’

De lijfwachten grinnikten.

‘En nu wilde je je broer verdedigen’

‘Inderdaad’

‘Met een pikhouweel?’

‘Ik was driftig’

Nu keek de vorst naar de man met de pikhouweel en knikte. Die aar­zelde geen mo­ment en sloeg Ramos met de pikhouweel het hoofd in.

Die avond dompelden de berichten van die dag de Oepanja’s onder in een staat van rouw en bitterheid. Ramos werd beweend, Jidhar ver­zorgd en Rahjid werd door het oude echtpaar in gehavende staat afgeleverd. De deuren van de grotwoningen bleven voor weken geslo­ten, nadat de Oepanja’s het lijk van Ramos van de vuilnishoop had­den gehaald, waar het door de vorst op was gegooid.

De kleitabletten schreven voor dat een dode drie dagen na zijn dood in de haard van zijn eigen woning gecre­meerd moest worden. Voor de crematie kreeg hij een bloem in zijn mond die hem, indien hij de kleitabletten had geëerbiedigd, de eeuwige lichtwe­reld bin­nenvoerde. Zo verging het ook Ramos. En zijn rook steeg op en een plotseling opstekende wind woei haar in de richting van het pa­leis, waar prins Osram hem op­snoof aan het hoefijzervormige ven­ster van zijn grootvaders overpeinzingen.

De prins had het boek van zijn grootvader gelezen en besloot, op het moment dat hij Ramos’ rook opsnoof, zijn vader ervan te over­tuigen dat dit boek de grondwet van het Osraamse Rijk moest wor­den. Hierin slaagde de prins. Een aantal weken later wist de be­volking van de wettelijke bestemming van het boek. Duizenden copi­isten werkten eraan dat alle dorpen en steden van het Osraamse Rijk binnen een maand een exemplaar van de nieuwe grondwet ontvin­gen.

De nieuwe wet dwong de Oepanja’s in een dubbelrol. Voor de buiten­wereld hielden ze de schijn op zich aan de wet te houden, maar in werkelijkheid bleven ze hun kleita­bletten trouw.

VI.

De tijd verstreek plotseling zorgeloos in het Rijk van Osram II. Het regende meer dan ooit. De putten en rivieren liepen vol. De Osraamse bevolking schreef de plotselinge regenval toe aan de nieuwe grondwet en dat gaf de wet een geweldige populariteit. Men begon geestelijken aan te stellen in het rijk en opende scholen waarin de nieuwe wet werd onderwezen. De beste leraren van het land discussieerden met elkaar over hoe ze bepaalde wetsonderdelen moesten uitleggen.

Het volk was blij met het boek van Osram I. Allerlei los-vaste ongeschreven regels waren nu vastgelegd. De enige bepaling die alom verwondering wekte was de huwe­lijkswet. De Osramen waren niet gewend officieel te trouwen. Dat was nu voorbij. De wet bepaalde dat men voor God man en vrouw was zodra de geslachtsdaad was ver­richt. Dit moest uitbundig gevierd worden. Iedereen wilde dan ook plotseling trou­wen. Als een epidemie verspreidde zich de huwe­lijksgeest over het rijk.

Ook prins Osram dacht plotseling over het huwelijk na. Hij besloot een vrouw te zoeken. Hierbij nam hij het niet al te nauw met de bepaling dat iedere geslachtsdaad per se tot een huwelijk moest leiden. Hij bedreef de liefde met veel jonge vrouwen en hoewel hij veel vreugde beleefde aan het lessen van zijn begeerte met hun lichamen, vond de prins onder hen geen geschikte levensgezel.

Meer en meer kreeg hij de reputatie een vrouwenverslinder te zijn. Sommige vrouwen beweerden zwanger van hem te zijn. Osram II liet de vrouwen stuk voor stuk ter dood brengen omdat ze het hof met laster in diskrediet brachten; een dood die vol­gens het wetboek gelijkstond aan belediging van de goden. Geen vrouw diende daar­na nog een aanklacht in.

Sommige Oepanja’s namen hun spullen en keerden terug naar het land van hun her­komst. Rahjid en de zijnen bleven. Op een ochtend ging Kranacha zich baden in een riviertje dat vlakbij het paleis lag. Ze deed dat precies op het moment dat prins Osram bij het hoefij­zervormige venster zat. De prins zag vandaar hoe ze zich van haar sluiers en gewaad ontdeed en hij werd diep getroffen door haar naakte schoonheid. Hij talm­de niet en snelde met zijn paard naar de plaats waar Kranacha zich baadde. Het was een vruchtbare plaats met veel vruchtbomen en zoetgeurende bloemen in allerlei kleuren.

Toen Kranacha uit het water kwam sprong de prins van zijn paard en ging voor haar staan, de benen iets uit elkaar en de handen in de zij. Ze toonde geen spoor van schaamte of schrik.

‘Je bent mooi, vrouw’

Ze liep met haar naakte lichaam langs hem heen en haalde haar schouders op.

‘Mooi zijn betekent niets in dit rijk als je een Oepanja bent, prins Osram’

Hij schrok. Kennelijk kende ze hem, maar ze toonde geen greintje ontzag.

‘Je zondigt tegen de grondwet’ zei de prins streng ‘Je dient te knielen voor een lid van de koninklijke familie. Ik kan je nu do­den.’

Ze ging met haar rug naar hem toestaan.

‘Als u mij wilt doden, moet u dat vooral doen’

Toen draaide ze zich om en keek hem aan met een glimlachje en ver­leidelijke ogen.

‘Maar ik raad u het af’ vervolgde ze ‘want ik kan veel voor u be­tekenen’

De prins was in verwarring door de plotselinge verandering in haar gedrag.

‘Wat bedoelt u?’ vroeg hij onzeker.

Ze knipoogde.

‘U bent een man en ik een vrouw, begrijpt u wel?’

In de prins stak een zeer sterke begeerte op.

‘Ik ken u al een tijd, prins Osram. Ik ben weliswaar een Oepanja, maar ik heb het niet zo op mijn volk. Altijd maar dat getob over de kleitabletten. Toen ik de grondwet van uw grootvader las, wist ik dat hij uit een edel geslacht kwam. En dat geldt ook voor u. Ik heb u vaak gezien en om het u maar ronduit te zeggen, ik voel veel voor u.’

De prins liep langzaam naar haar toe.

‘Schend me’ fluisterde ze terwijl ze haar ogen neersloeg ‘Ik wil door u geschonden worden.’

De prins ging achter haar staan en sloeg zijn armen om haar mid­del. Zij legde haar hoofd achterover op zijn schouder en verzucht­te dat ze heel lang naar dit moment had verlangd. Terwijl hij de kabbelende rivier hoorde streelde hij haar door het lange zwarte haar en toen wist hij dat hij deze schoonheid zou schenden.

vii.

Het werd voorjaar en tussen de prins en Kranacha ontspon zich in korte tijd een hartstochtelijke verhouding. Kranacha kreeg twee vertrekken in het paleis, die bij elkaar lagen aan het Hof der Granaatappelen. De Oepanja’s spraken schande van de verhouding en als Kranacha Rahjid bezocht (die zijn dochter veroordeelde noch be­greep) negeerden zij haar.

Het moment kwam spoedig dat prins Osram Kranacha ten huwelijk vroeg en zij zei conform ieders verwachtingen ‘ja’. De dag van hun huwelijk was een nationale feest­dag. Alleen in de Oepanja-gemeen­schap werd geen feest gevierd. De ouderen waar­onder Rahjid dachten terug aan de verhalen over Anacha, de stiefmoeder van Osram I, de schrijver van het wetboek. Zij waren van mening dat Anacha’s huwe­lijk voor de Oepanja’s een catastrofe was geweest. Rahjid troostte zjin volksgenoten met karak­terbeschrijvingen van zijn dochter, die duidelijk moesten maken hoe zeer ze verschilde van de ‘oermoeder’ Anacha. Maar de Oepanja’s lieten zich niet overtuigen. Ze ver­trouwden Kranacha niet. Ze was altijd al opstandig geweest tegen de kleitabletten. En welke vrouw trouwde nu met de moordenaar van haar broer? En hoe moest dat zijn voor Amaranta, met wie Kranacha zo’n innige band had?

‘Amaranta lijdt er niet onder’ zei Rahjid ‘Ik heb het haar ge­vraagd en zij is van mening dat de romantische liefde alles over­wint, zelfs de moord op een broer’

‘Amaranta lijdt aan waanideeën’ riep één van de Oepanja’s boos uit.

‘Toch is het niet makkelijk om te weerleggen wat ze zegt’ zei Rah­jid rustig.

‘En wat is er tegen waanideeën als ze iemand troosten? Bovendien keuren de kleita­bletten waanideeën niet af.’

Rahjid hoopte dat Amaranta’s houding het oordeel van de Oepanja’s over zijn dochter milder zou maken. Tegen beter weten in.

De tijd leek met zichzelf te morsen in de voorbijtrekkende maan­den. Er gebeurde niets. Het was minder heet, er viel geen regen meer en soms stak er een stoffige storm op. De mensen wachtten op berichten van het paleis maar ze bleven uit. Men hoopte op een zwangere prinses Kranacha, maar niets wees erop dat die hoop spoe­dig vervuld zou worden.

Het aanvankelijke enthousiasme over de Osraamse grondwet verdween. De verveling sloeg toe en het Rijk aanschouwde de eerste wetsover­tredingen. De straffen waren niet gering. Meestal ‘de dood door water’, die inhield dat mensen met het hoofd in de fontein werden gedrukt tot de verstikkingsdood intrad. Dit soort straffen waren een publiek vermaak. De mensen gingen er graag naar kijken. Het doorbrak de verveling. Dit leidde er toe dat de uitvoering van de waterdood omlijst werd met markten. Een enkele keer werd er een man onthoofd, meestal voor overspel. Dergelijke gebeurtenis­sen hadden de status van een nationale feestdag. De markten werden verrijkt met met attracties. Theater- en muziekgroepen gaven uit­voeringen die de mensen op eenvoudige wijze de Osraamse wet uit­legden, meestal in de vorm van een klucht.

Op dergelijke dagen wilde het hof nog wel eens een steentje bij­dragen aan de feest­vreugde. Het ontving dan een vorst uit een ver land of het kwam met een vrolijk bericht. Verlaging van belastin­gen of een vrije dag. Voor de Osramen was zo’n dag een ongekende luxe. Het begrip ‘rustdag’ bestond immers niet in hun rijk.

viii.

Het was bij de onthoofding van drie overspelige mannen dat het bericht kwam van Kranacha’s zwangerschap. Een week lang bleven de marktkramen staan. Het land vierde uitbundig feest. Tijdens dit feest werd het ook weer heter en soms regende het. Sommige Osramen schreven dit toe aan Kranacha’s magische kwaliteiten. Niet dat daar bewijzen voor waren, maar dat deerde de bevolking niet. Er ontstond een ware Kranacha-cultus. Het hof stimuleerde de cultus en sloeg er munt uit door de verkoop van Kranacha-beeldjes. Er waren mensen die beweerden dat Kranacha in hun droom aan ze was verschenen.

Kranacha verzocht Osram II om Amaranta in haar hofhouding op te nemen. De koning stemde toe en Amaranta werd gehaald. Ze nam het gelaten op. Tegen Rahjid zei ze dat ze moest gaan, omdat je de roep der goden moest gehoorzamen. Rahjid knikte instemmend.

Aan het hof stelde men vast dat de relatie tussen de prinses en Amaranta koel en afstandelijk was. Dat verwonderde de mensen, om­dat de volksmond beweerde dat Oepanja’s onder elkaar samenzweerde­rig waren en complotten smeedden zodra ze bij elkaar kwamen.

‘Zo is hun natuur’ placht de oude Osram I te zeggen. Maar het ge­drag van Kranacha en Amaranta bevestigde dit oordeel niet. Na een paar weken begonnen er geruchten te ontstaan. De prins zou weer op vrijersvoeten zijn. De Osramen beweerden dit niet te geloven, maar vertelden het toch verder. Het oog van de prins zou zijn gevallen op Amaranta. Het volk smoesde erover, maar niemand kon iets bewij­zen. Prinses Krana­cha bleef rustig onder de geruchten. De cultus rond haar persoon heeft haar geleerd dat het volk graag iets aan de werkelijkheid toevoegt, zei prins Osram tegen zijn va­der toen die het fijne wilde weten van de kwestie.

‘Mijn zoon’ zei de koning ‘Bega niet dezelfde fout als je over­grootvader die zijn vrouw inruilde tegen een ander. Toen was er nog geen wet. Nu wel. En die wet kan je dood worden.’

‘Vader, ik ben niet gek’ zei de zoon ‘Denkt u nu echt dat ik al mijn geluk op het spel ga zetten voor één moment van genot?’

‘Ik weet het niet’ verzuchtte zijn vader ‘Je bent een gepassio­neerd mens en je vrouw is zwanger.’

‘Ik ben geen stier die zijn instincten niet kan intomen, vader. De prins verliet

beledigd zijn vaders kamer die glimlachte om de trots van zijn zoon.

ix.

Door de geruchten nam de Kranacha-cultus buitenproportionele vor­men aan. Werd zij, de magische moeder, bedrogen door haar echtge­noot? Schande was het. De beeld­houwers kregen een hausse van op­drachten om Kranacha-beeldjes te verwerken. Ook houtsnijders en schilders hadden volop werk. Poëzie en proza over Kranacha vonden gretig aftrek.

De populariteit van de prinses nam zo toe dat koning Osram II wil­de ingrijpen in de cultus. Er kwam een verbod op de verkoop van Kranacha-produkten, die overigens ook naar andere rijken werden ge­xporteerd omdat ze daar als kunst­werken werden gezien.

Op de dag dat het verbod op de Kranacha-produkten van kracht werd gebeurde er iets zeer ingrijpends, dat de cultus rond Kranacha een geweldige injectie gaf. Het was een grijze dag in het hart van de winter. Kranacha sliep als zwangere vrouw apart van haar man, zo­als de wet voorschreef. Zij kon die avond de slaap niet vatten en ging wat wandelen in de tuinen van het paleis. Haar twee lieve­lingsbediendes bege­leidden haar.

Kranacha was somber. Ze sprak over een verloren liefde uit een ver verleden en ver­zuchtte dat alles, maar vooral de onbezorgdheid van de jeugd, voorbij ging. Op dat ogenblik liep ze juist aan het ein­de van de lange gang die uitkwam op de hof, waar prins Osram zijn slaapvertrek had.

‘Sst. We moeten de prins niet wakker maken.’ fluisterde ze. Maar de prins was wak­ker. Uit zijn vertrek viel licht over de patio. Ook hoorden de prinses en haar bedienden het geluid van stemmen.

‘Er is iemand bij hem’ zei een van de bedienden.

‘Een vrouw’ zei de ander en zij keek angstig naar het gezicht van Kranacha.

‘Sst’ bezwoor de prinses ‘Wat zeggen ze?’

‘Het zijn de geluiden van de liefde, hoogheid’

De prinses wandelde naar de rand van een fontein en sloeg de han­den voor haar gezicht.

‘O nee’ verzuchtte ze ‘Het is de stem van Amaranta. Roep de ko­ning. Roep de ko­ning.’

Een van de bedienden spoedde zich naar de kamer van de vorst.

‘De prinses laat u roepen’

‘De prinses, de prinses. Ik krijg nog eens een hartstilstand van de prinses’ mopperde de koning, maar kort daarna verscheen hij in een lange mantel en in aanwezigheid van vier bedienden op de pati­o. Hij vond zijn schoondochter in tranen op de rand van de fon­tein.

‘Wat is er, Kranacha?’

Ze wees naar het vertrek van prins Osram. De koning keek, liep naar het venster van het vertrek van de prins en jammerde toen, zo hard dat het halve paleis wakker schrok: ‘Idioot! Begerige stier! Nu moet ik je ter dood laten brengen.’

In de verte klonk het gerommel van een naderende onweersbui.

x.

De onthoofding van de prins ging niet gepaard met de voor onthoof­ding gebruikelijke festiviteiten. Evenmin was het een publiek eve­nement. Alleen de koninklijke familie was getuige; de prinses was te verbitterd om de straf bij te wonen.

Onder het volk ontstonden geruchten dat prins Osram niet echt dood zou zijn. Daar­om eiste men opbaring van het onthoofde lijk van de prins op het Plein van het Heilig­dom. Zijn hoofd moest ernaast worden gelegd om bedrog te voorkomen. Het vorsten­huis gaf hieraan gehoor, ook al omdat het volk morde over de bepalingen om de ver­koop van Kranacha-produkten aan banden te leggen.

Amaranta ging conform de Osraamse wet vrijuit, maar Kranacha ver­dreef haar van de paleiselijke gronden. Met een gesel, naar men beweerde, maar later werd dat weer tegen­gesproken omdat Amaranta in een prima conditie verkeerde bij haar terugkeer in de stad. De Oepanja’s begrepen niet veel van wat er gebeurd was. Hoe had Ama­ran­ta de liefde kunnen bedrijven met de moordenaar van haar man?

Ze vroegen Rahjid of hij iets wist, ook al omdat hij telkens zo mysterieus glimlachte. Maar hij bleef glimlachen en ontweek de vraag met opmerkingen over de Osraamse wet.

‘De Osraamse wet is het produkt van een grootvader die er zijn kleinzoon mee heeft gedood. Zo’n wet kan geen waarheid in zich dragen.’

Maar op een koele regenachtige avond sprak hij. Het regende gere­geld sinds de dood van prins Osram. Veel inwoners van het rijk schreven deze zegening toe aan Krana­cha. De Kranacha-cultus bloei­de als een fruitboom in het voorjaar. De Oepanja’s we­zen de cultus af. Ze zagen de dochter van Rahjid soms plotseling opduiken om haar vader te bezoeken en een enkeling beweerde dat ze daar Ama­ranta zag en de band tussen de twee vrouwen leek heel innig. De Oepanja’s begonnen zich af te vragen wat ze hieruit moesten aflei­den.

‘Niets’ antwoordde Rahjid ‘Bezoeken jullie dochters de vrouwen van jullie zonen niet?’

‘Kom nou, Rahjid’ zei iemand verontwaardigd ‘Hou je niet van de domme. Je weet heel goed dat de situatie van Amaranta en Kranacha met geen andere te vergelijken is. Zeg nou eens wat.’

Toen sprak hij.

‘Mannen. Jullie weten dat ik mijn dochter altijd tegen jullie kri­tiek verdedigd heb. Wanneer zij de strijd aanbond met de kleita­bletten liet ik haar begaan, omdat ik het idee had dat ze zo naar een niveau groeide dat ze niet zou kunnen bereiken als ik haar weerhield. Ik had een voorgevoel dat haar opstandigheid van een kaliber was dat in de kleitabletten geprezen wordt. Het was geen opstandigheid uit dwaasheid- nee, het was een opstandigheid die waarheid aanboorde. Een goddelijke vonk. Ook toen zij met de prins huwde hield ik haar niet tegen. Ik heb er een keer met haar over gespro­ken en hoewel ze geen toespeling maakte op wat ze van plan was voelde ik dat er zich iets moois in haar ontwikkelde. Ik be­greep het niet met mijn verstand, maar mijn hart stelde me gerust.

Ik mocht toen nog niet weten wat ze van plan was. Als ik het had geweten had ik haar tegengehouden. Maar de goden hebben me voor iets dergelijks behoed.

Kranacha heeft nu de dood op Ramos gewroken.’

De Oepanja’s keken nu alsof iemand ze vertelde dat de zon ’s nachts scheen en de maan overdag.

‘Ik zal het uitleggen’ lachte Rahjid ‘Luister. Wat is er gebeurd? Op de dag dat Jidhar met bebloed hoofd thuiskwam en over de moord op zijn broer vertelde, hebben Kra­nacha en Amaranta onder vier ogen met elkaar gesproken. Ze hebben toen gezworen om Ramos te wreken. Kranacha heeft toen het plan bedacht om de prins te ver­leiden en met hem te trouwen. Zij kende toen de bepalingen over het overspel al en over­reedde Amaranta om de prins het hoofd op hol te brengen. Dit is gelukt.’

Er viel een stilte. De een trok aan zijn sigaar, de ander nam een slok wijn. In de verte klonk onweer.

‘Luister’ zei Rahjid ‘De goden spreken’

En boven de bergen van het hete zuiden weerlichtte het en nog steeds regende het. Het litteken op Rahjids heup bleef spreken en tot de dag van zijn dood registreerde het rijk van het Zuiden geen misoogst meer.

De Kranacha-cultus bloeide tot ver over de grenzen van het rijk en na de geboorte van Kranacha’s kind (prins Rahjid) riep het volk dat ze koningin moest worden. De roep werd zo luid en dwingend dat Osram II vrijwillig aftrad. De belastingen werden onmiddellijk verlaagd en er kwam een wekelijkse rustdag, waarop het de inwoners van het rijk verboden was om te werken. De Oepanja’s werden opge­nomen in de hofhouding.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s