Buiten broedde de sereniteit

Buiten broedde de sereniteit boven de moestuin. De sereniteit waarin goed en kwaad verdwenen als kookgeuren door het open raam. De enkele auto die in 1965 door de auto van het dorp reed, de dokterswagen, een autobus, de bakkerskar of een visboer, verbrak de stilte nauwelijks. Alles werd bedekt door de dorpsstilte, waarin het geruis van bomen, een tochtstrook in het graan of het gekwinkeleer van vogels de ruimte hadden. Er was geen verlangen naar rust zoals in onze dagen; er was verlangen naar beweging en spanning, een behoefte waarin voorzien werd door roddel en lasterpraat over anderen. Het eigen leed werd toegedekt. En opgenomen in die grote broedende sereniteit.

‘Ze heeft al heel lang de pik op hem’

Mijn grootmoeder zette de pan met kippensoep op tafel. Het verbaasde mij opnieuw hoe zij met haar 1 meter 59 en 75 jaar zo’n zware pan kon tillen. Ze sprak haar woorden als zo vaak, zonder iemand aan te kijken. Als ze je aankeek, was het alsof er elk ogenblik een oordeel over je kon worden geveld.

‘Soep, jongen’ zei mijn grootvader ‘Neem er van. Je moet goed eten’

‘Haar eigen kinderen groeien op voor galg en rad, maar altijd moet hij het ontgelden.’

Ze streek met haar handen langs haar gebloemde schort en frommelde aan haar haarspeld.

‘Laten we er maar over ophouden’ stelde mijn grootvader voor ‘De geur is goed, moeders, ik denk dat je weer iets goeds hebt bereid’

Moeders. Hij zei het woord zoals hij het altijd zei, als een gewoonte maar toch vol respect. Zoals je ‘goedendag’ zegt tegen mensen die je kent.

‘Ik heb het vroeger vaak gezegd. Van lezen komt niets goeds.’

Ze keek me plotseling aan. Haar vinger priemde in mijn richting alsof ze me van iets ging betichten.

‘Je moeder was aartslui en zat altijd maar in de boeken. Daar wordt de geest niet beter van. Ze heeft jullie godzijdank nog gedoopt. En als ik er niet was geweest, dan hadden jullie je eerste heilige communie niet gedaan, dan was je nooit gevormd door de kardinaal.’

‘Hermien was een schatje’ zei opa ‘Het was een lief beeld als ze een boekje las.’

‘Ach jij’ mopperde oma ‘Dat zogenaamd lieve meisje las onzedige en godslasterlijke boekjes en jij zat er half verliefd naar te kijken. En nu zie je wat er van komt. Nu heeft ze ruzie met Oscar.’

‘Goed eten, jongen’ benadrukte mijn grootvader.

(Dit fragment is onderdeel van een autobiografische schets)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s