Oerol-directeur Joop Mulder: ‘Men beschouwde Oerol als mijn hobby’ (interview)

Het Nieuwsblad van het Noorden noemde hem één van de belangrijkste ‘snorren’ van het noorden. Joop Mulder, directeur van het wereldberoemde theaterfestival Oerol. Iedereen die wel eens op Terschelling is geweest kent het, het theaterfestival dat in de junimaand het eiland in bezit neemt. Maar de roem van het festival beperkt zich niet tot het eiland. Mulder is dan ook net terug uit Brussel voor besprekingen. En hij is bezig een speciale productie uit China te contracteren. Daar was hij in 2001 en zag hij een gezelschap dat hij dolgraag naar Oerol wilde halen. Bert Overbeek wilde weten hoe een HBS’er uit Bolsward uit het niets een festival kon opzetten dat nu tot in New York bekend is. En stelde vast dat ondernemen niet zonder teleurstelling en tegenslagen kan.

‘De eerste Oerol was in 1982. Ik had destijds een kroeg op Terschelling, ‘De Stoep’. Daar in Midsland traden bandjes op en dichters als Vinkenoog en Deelder. Door het contact met dat soort mensen, kwam ik veel in Amsterdam . Daar zag ik het Festival of fools en Jango Edwards in Paradiso. Ik vond dat zo fantastisch dat ik Edwards op Terschelling wilde hebben , op een festival. Zo begon het.

Ik had een kroeg en nam een risico. Kunst en theater hadden mijn hart. Op de HBS in Bolsward begon dat al. Daar hadden we schoolcabaret en theatervoorstellingen en dat vond ik fantastisch. Ik kon goed tekenen en daardoor kon ik goed opschieten met de creatieve leraren. Zo is het ontstaan.

Van huis uit heb ik het niet mee gekregen. Mijn vader, een katholieke CDA’er, wilde dat ik wiskunde ging studeren, en was diep teleurgesteld toen ik met de noorderzon vertrok en min of meer toevallig op Terschelling belandde en in de horeca terecht kwam.

Wie ondernemer wil worden, zal moeten leren omgaan met tegenslag. In de eerste jaren van Oerol was die er volop. Ik heb toen enorm veel geld verloren aan het festival. Subsidies kreeg ik niet. Inwoners van Terschelling vonden dat het festival niet op Terschelling hoorde. Men was gewend aan lallende bouwvakkers en zuipende jongeren op campings, maar zag het culturele publiek als ‘oude hippies’. Nu wordt het gekoesterd op het eiland, maar destijds werd het als vreemd beleefd.

Zonder doorzettingsvermogen en enthousiasme had ik het destijds nooit gered. Ik ging iedereen langs. Maar overal nul op rekest. Ondernemers, de gemeente, de provincie, niemand zag het zitten. De Raad van de Kunst vroeg zich af wie er met zo’n idee in godsnaam op een eiland  ging zitten. Maar mijn ideaal, het eiland als podium, zorgde ervoor dat ik niet opgaf. Het helpt bij het ondernemen als je een ideaal hebt.

Vanaf 1985 begon het festival te groeien. Rond 1990 waren er zo’n 10 000 bezoekers. Maar ook toen was er nog weinig medewerking. De directeur van de VVV zei toen dat Oerol niet groter moest worden, omdat het festival dan aan zijn eigen succes ten onder zou gaan. Bankdirecteuren waarschuwden me: ‘Je vreet je kroeg op als je zo doorgaat’. En de belastingdienst werkte ook al niet mee. Men beschouwde Oerol als mijn hobby, niet als een investering. Zoveel tegenslagen had ik zonder idealisme nooit overwonnen.

Even voor de statistiek: op dit moment wordt het festival bezocht door 60 000 mensen. In de zomer werken we met zo’n 150 tot 200 betaalde krachten. Onlangs heeft een onderzoeksbureau  berekend dat Oerol de Terschellingse gemeente en ondernemers zo’n 30 miljoen oplevert aan extra inkomsten. Als ze de stichting daarvan 10% zouden geven, zouden we heel wat kunnen doen, haha.

Toch heb ik wel eens op het punt gestaan er de brui aan te geven. Dat was in 1993. Oerol stond onder curatele en er ontstonden conflicten. Ik was het zo zat dat ik zei ‘Dit wordt het laatste festival’. Ik meende het. Maar dat was toch niet helemaal de bedoeling. De mensen bij wie ik vroeger de hand had moeten ophouden kwamen nu zelf smeken. Ik ging af en toe flink tekeer, was sterker geworden van de weerstand.

Oerol was te belangrijk geworden. Dat vond ik toch mooi. Ze konden niet meer om me heen. Dat had ik toch maar afgedwongen. Het Fonds van de Podiumkunst in Den Haag moedigde me aan: ‘Komop, Joop, tanden op elkaar!’

In het volgende jaar was er geen tien- maar een vierdaags festival. Ik heb toen op de zaterdagavond, onder het oog van een kolossale lobby, in de haven een spektakel georganiseerd dat zijn weerga niet kende. Toen was iedereen het er wel over eens: dit moest blijven. Den Haag was intussen ook om. Overal in Nederland ontstonden zomerfestivals. Oerol werd als een voorbeeld en een voorloper daarvan gezien.

In september van dit jaar was Oerol in New York. David Binder, een Broadwayproducent en organisator van grote popproducties, was toevallig op Terschelling geweest. Hij was onder de indruk. De ambassade belde me. Of we wilden komen. Ze wilden in New York van Govenor’s Island een kunsteneiland maken, een cultureel rustpunt in New York. Op een festival dat daarvoor was georganiseerd, waren we van harte welkom.

Natuurlijk was dat een hoogtepunt. Na alle tegenslag van het begin voor zoiets gevraagd te worden, is iets geweldigs. Zo zie je waar een ideaal en wat doorzettingsvermogen toe kan leiden. Als ik terugkijk ben ik heel tevreden over dat deel van mijn leven. Mensen die iets willen bereiken in hun leven, zullen met teleurstellingen moeten kunnen omgaan. Hun doorzettingsvermogen niet verliezen. ´

(www.oerol.nl)

Fotografe Saskia Klyfhout

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s