Onstuim in water (2); de schoonheid van het gedicht

foetZijn gedichten leuk? Leuk niet altijd, maar zeker boeiend voor wie zich verdiepen wil. Ik  doe hier een heuse poging om een gedicht uit te leggen, wat een dichter niet zou moeten doen. Maar dit gedicht heb ik opgeschreven en nog niet herschreven (daar ben ik nu mee bezig) en ik wil de lezer een beetje uitleggen wat er in het gedicht samenkomt. Het zal niet altijd makkelijk zijn, dat realiseer ik me wel. Maar de lezer die er een beetje moeite voor wil doen, zal beloond worden. Na deel 1 (https://egobert.wordpress.com/2009/10/02/onstuim-in-water-1-een-moeilijk-gedicht-uitgelegd/) schreef iemand dat het gedicht toch een beetje meer ging leven door de toelichting. Het strekt tot aanbeveling om deel 1 eerst te lezen. (De volledige tekst van het gedicht vind je hier: https://egobert.wordpress.com/2009/10/02/onstuim-in-water-de-totale-tekst/

Wie mijn adem zo gretig gebruikt,

(zei je bij het picassomuseum in le marais (1) besmuikt)

zal zich op mij moeten voortplanten

chromosomen mengen, helix aan helix rijgen (2),

klei uit de aarde nemen (3),

de aarde, dat is mijn baarmoeder (4),

kernen, membramen, protoplasma, (5)

dát te maken,

want het is allemaal voorradig

in de borrelende bacteriën

van de diepzeespleten (6).

Weet je nog, ver voordat je mijn adem gebruikte (7),

toen de elementen nog niet waren geëxplodeerd (8),

toen we nog leefden in een wereld van edelstenen (9),

dat ik je toen een vis aanbood in je droom? (10)

weet je nog dat je dat droomde,

veel later, ver nadat de hof met brandende zwaarden was toegesloten (11),

en nog later,

toen je uit haar was ontsnapt (12)?

Je hebt haar als een echo weggesmeten (13),

jij die altijd weg wil glijden

in de rimpelende afgrond van je spiegelbeeld (14),

en altijd weer verrijst als

een geile vruchtbaarheidsgod (15).

Altijd maar weer binnendringen

in de waterige holtes waaruit je opgeborreld bent,

in de zee van vruchtwater-

om het geheim van de millennia oude vis te ontdekken.(16)

(1)  Het Picassomuseum in Le Marais, een wijk in Parijs, heeft een aantal schitterende beelden van Picasso, die van gereedschappen, potten en pannen en dergelijke menselijke vormen gemaakt. Bijzonder creatief en briljant. Omdat dit gedicht onder meer gaat over de materie waar mensen van zijn gemaakt, was het erg leuk om Picasso’s varianten van de mens te zien. Juist de adem ontbreekt overigens in zijn creaties.

(2)  Voortplanten is niets anders dan chromosomen mengen. 23 chromosomen komen van de vader en 23 van de moeder. Chromosomen bestaan uit lange ketens DNA, waarvan iedere cel ongeveer 2 meter in huis heeft. Bryson schrijft dat er 20 miljoen kilometer DNA in je is samengeperst. DNA kent een helix-of spiraalvorm. Bij het ontstaan van een mens rijgen de helices zich als het ware aaneen. (http://nl.wikipedia.org/wiki/Dubbele_helix)

(3)  ‘Klei uit de aarde’ is een bijbels beeld. De mens is er volgens oude bijbelvertalingen uit geschapen.

(4)  ‘De aarde dat is mijn baarmoeder’. De ik-persoon uit het verhaal is nergens in het gedicht geïdentificeerd. Ze is de verrijzenis van Echo, de vrouw die Narcissus van zich afwierp omdat ze hem niet visueel maar auditief spiegelde. Echo is een bijzondere creatie. Ze was ooit een nimf maar werd door een jaloerse godin van het vermogen tot spreken beroofd. Ze kon alleen maar mensen napraten. De laatste woorden herhalen. Vandaar ook ‘echo’ in ons taalgebruik. In oude godsdiensten is de verrijzenis van de goden een regelmatig terugkerend element. Ik heb dat hier gemengd met de Narcissusmythe, zoals je ook sprookjes kan mengen. Dan laat je Sneeuwwitje en Roodkapje samen met de Reus de wolf van de zeven geitjes vangen.

(5)  en

(6)  Biologische termen. Kernen, membramen en protoplasma verwijzen  naar cellen. De link met de bacterierijke zeespleten ligt na mijn uitleg onder (4) in behandeling van het eerste vers voor de hand. Ik citeerde daar Bryson: ‘In dat jaar vond de Alvin krioelende kolonies grote organismen die op en om de diepzeespleten van de Galapagoseilanden leefden: meer dan 3 meter lange kokerwormen, 30 centimeter grote oesters, een massa garnalen en mosselen, wriemelende spaghettiwormen. Ze dankten allemaal hun bestaan aan grote bacteriekolonies die onafgebroken uit de spleten stromen en op hun beurt energie en voeding uit waterstofsulfide haalden, chemische verbindingen die voor oppervlaktewezens uiterst giftig zijn.’

(7)  ‘Toen je mijn adem nog gebruikte’ = ‘Toen je mij nog liefhad’, zie de uitleg van het 1e deel.

(8) ‘ Toen de elementen nog niet waren geëxplodeerd’  is een tijdsbepaling die verwijst naar de oerknal al zou je het net zo goed kunnen zien als een meteorietinslag; dan komt het wat dichter bij. Men vermoedt dat een meteorietinslag verantwoordelijk is voor het uitsterven van de sauriërs, waaronder de dinosaurussen. De wereld kan altijd worden geraakt door een meteoriet en het is een illusie dat we hem altijd zien aankomen. En al zou je hem zien aankomen, dan nog zal er een ramp op wereldformaat zijn, waarbij de dreigingen van het broeikaseffect in het niet vallen. In dit gedicht blijkt de ik-figuur voor het einde van de dinosaurussen geleefd te hebben. Het gaat dus niet om een ‘gewoon mens’. Wat de oerknal betreft: vaak wordt vergeten dat ook dit een hypothese is en geen bewezen feit. Voor het gemak zijn we er even van uit gegaan dat de oerknalhypothese klopt. In het gedicht gaan we er bovendien vanuit dat de oerknal samenvalt met het bijbelse ‘In den beginne schiep God hemel en aarde’. De figuren uit het gedicht zijn dus mythische wezens. Of je er in gelooft of niet, binnen de verzen van ‘Onstuim in water’ zijn het bestaande schepsels. Het idee is dat het geesten zijn die door de miljarden jaren heen op verschillende wijzes in de materie zijn geweest. De achterliggende gedachte is dat ze door deze verschijning de wereld naar volmaaktheid voeren.

(9)  Sterker nog, ‘toen we nog leefden in een wereld van edelstenen’ gaat terug naar de periode voor de bijbelse zondeval. Volgens een bepaalde uitleg van Ezechiël 28 (of 14) richt god zich daar tegen de duivel. Hij heeft het over ‘toen gij nog in de hof van eden waart’,  waar de duivel temidden van edelgesteente leefde. De personen uit het gedicht stammen dus uit de periode voor de oerknal.

(10)  Vissen waren we ooit ook, zeggen de ik-personen uit het gedicht, maar hier wordt een vis aangeboden. Vis is een symbool voor seksualiteit (denk aan het meisje met de oester uit de 17e eeuwse schilderkunst), maar ook voor Jezus, die er volgens de bijbel ‘voor de grondlegging van de aarde’ al was, en dus ook één van die mytische wezens was van voor de oerknal. Een vis aanbieden betekent bij mij dan ook een combinatie aanbieden van seks en religie, wat in mijn beleving een eenheid zou moeten zijn. Religies die de seksualteit onbelangrijk willen maken, omarm ik niet. Voor mij hoort de seksuele energie en de religieuze energie bij elkaar, en ze versterken elkaar ook. Terug naar het beeld: omdat de ik-figuur zelf ooit een vis was, en een vis aanbiedt, biedt ze zichzelf aan.

(11)       Toen Adam en Eva uit het paradijs werden verwijderd, werd de hof afgesloten, ondermeer met een brandend zwaard. Dit thema komt later weer terug in de geschiedenis bij het zwaard ‘Excalibur’.

(12)       Verwijst naar de Narcissusmythe. ‘Toen je uit haar was ontsnapt’ wordt tegen Narcissus tegen gezegd, die in het gedicht dus een wezen is van voor de oerknal. Uit wie is hij ontsnapt? Uit de niet verrezen Echo die hij volgens de ikpersoon, omdat hij haar

(13)       heeft weggesmeten, omdat hij niet geïnteresseerd is in haar maar wel in het

(14)       wegglijden ‘in de rimpelende afgrond van je spiegelbeeld’. Narcissus glijdt uiteindelijk weg in de donkere golven na een lange zoektocht naar zijn spiegelbeeld in water. Hier zou het verhaal eindigen als ik Narcissus niet meerdere mythische identiteiten tegelijk zou geven. Hij is behalve de Grieks-mythische Narcissus ook de mannelijke godheid Balder, die opstaat uit den dode in de lente, wat uit

(15)       blijkt. Ik vond het mooi Narcissus met deze mannelijke godheid te mengen, en ook andere wezens, zoals bijvoorbeeld Jezus, in hem te laten samenstromen, en dat weer te verbinden met de moderne wetenschappen. Uiteindelijk wil ik van het narcisme het oordeel afhalen. In dit gedicht moet Narcissus vol zelfwanen zitten, anders kan hij zich niet voortplanten, anders kan hij ook niet liefhebben, want alleen hij kan liefhebben die zichzelf lief heeft. Dat laatste valt Narcissus niet te ontzeggen.

(16)       De vis zwemt in water. In dit gedicht is ‘water’ zowel water van de zee, als vruchtwater, als het sap uit de vrucht die Eva aan Adam aanbood. In een associatief gedicht als dit vloeien de dingen in elkaar over, en ik voer een nieuwe stijlvorm in: de gelijkstelling. In het gedicht stel je bepaalde zaken aan elkaar gelijk. Dat is geen metafoor, waarbij je dingen vergelijkt. Het gaat om echte gelijkstelling. De maan hangt niet ‘als een lichtgevende appelbol’ in de lucht, maar is ook daadwerkelijk een appelbol. Deze gelijkstelling ontleen ik aan de natuurwetenschappen, waarin groot (melkwegstelsels) en klein ‘leven’ (cellen of moleculen) erg veel overeenkomsten vertonen. Wie bovendien het leven op quantummechanisch niveau bekijkt, ziet sowieso vrijwel geen verschillen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s