‘Onstuim in water’, de totale tekst

evaZoals beloofd zal ik de komende weken iets doen wat je eigenlijk niet zou moeten doen: een gedicht uitleggen. Het gaat om het langere gedicht ‘Onstuim in water’ waarvan ik niet de illusie heb dat iemand het zal publiceren. Niet omdat het niet goed zou zijn, het is naar mijn eigen mening één van de beste dingen die ik ooit heb gemaakt. Maar het is ook bijzonder ontoegankelijk. Om de inhoud voor de lezer niet verloren te laten gaan, schrijf ik er een toelichting. Dit is het hele gedicht, eerder vandaag publiceerde ik de eerste toelichting.

1.

Ik gebruikte gretig je adem.

Ik meende dat het de gramstorige goden waren

die in het DNA-klei van

je pezen en botten en bloed,

leven bliezen met hun cyclonen en orkanen,

toen de wereld alleen nog maar

borrelende bacteriën

uit diepzeespleten kraamde.

Ik gebruikte gulzig je adem.

Ik nam haar uit drooggevallen, naar binnen gekeerde kieuwen,

want vissen dat waren we ooit óók,

ver voordat we op het land kropen

om de wereld te vernieuwen.

(Wat hebben we in al die millennia onder water

eigenlijk gedaan?)

2.

Wie mijn adem zo gretig gebruikt,

zei je bij het picassomuseum in le marais besmuikt,

zal zich op mij moeten voortplanten

chromosomen mengen, helix aan helix rijgen,

klei uit de aarde nemen,

dat is mijn baarmoeder,

kernen, membramen, protoplasma,

dát te maken,

want het is allemaal voorradig

in de borrelende bacteriën van de diepzeespleten.

Weet je nog, ver voordat je mijn adem gebruikte,

toen de elementen nog niet waren geëxplodeerd,

toen we nog leefden in een wereld van edelstenen,

dat ik je toen een vis aanbood in je droom?

weet je nog dat je dat droomde,

veel later, ver nadat de hof met brandende zwaarden was toegesloten,

en nog later,

toen je uit haar was ontsnapt?

Je hebt haar als een echo weggesmeten,

jij die altijd weg wil glijden

in de rimpelende afgrond van je spiegelbeeld,

en altijd weer verrijst als

een geile vruchtbaarheidsgod.

Altijd maar weer binnendringen

in de waterige holtes waaruit je opgeborreld bent,

in de zee van vruchtwater-

om het geheim van de millennia oude vis te ontdekken.

3.

Ik gebruikte je adem.

Tussen je woorden rimpelden de wateren.

Ik wist dat ik me alleen in narcisme kon voortplanten.

Ik wist dat wie zichzelf niet liefheeft

de ander niet kan liefhebben.

Ik wist dat ik in de afgrond van mijn ijdelheid moest glijden

om de echo’s te doven

van mijn leegte.

Ik wist dat chromosomen, membramen, cellen, DNA,

het klei dat de goden namen om ons te beademen,

ik wist dat dat ons in stand zou houden

op het altijd schuivende land

met zijn bevingen en vulkanen en

onbetrouwbare tektonische platen.

Wie niet in de rimpelloze spiegels

naar zichzelf durft te kijken

zal niet verzadigd raken

zal niet verdwijnen in de kolkende afgronden,

daar waar grote vragen echte antwoorden geven

en waar geheimen openbarsten

zal niet zijn en nooit geworden.

4.

Wie mijn adem gebruikt

zal ook mijn vruchtwater gebruiken

en ogen oogsten die duisternis verlichten

en spiegels zien die van vissen zoogdieren maken,

en nederig van geest de aarde beërven,

de aarde met zijn lava, orkanen en meteorietinslagen.

Klei uit de aarde doet water vergeten

en de tranen drogen in het licht

dat ver voor alle begin al heerste

maar zo lang onttrokken werd aan het zicht

door de boom des levens en de boom van goed en kwaad.

5.

Ik gebruikte je adem:

een slang die ontaardde.

Toen hebben de zwaarden het land gesloten,

je vruchtwater werd het rimpelloze sap

van een verboden appel.

Ik was gedoemd erin te kijken.

De liefde van het land

moest uit mijn spiegelbeeld blijken,

want uit de hof van vroeger

weerklonk nog slechts de echo.

De tuin was een nimf zonder lichaam geworden.

Een godvergeten oord.

Voor wie mij liefheeft wil ik heten

en in narcisme plant ik mij voort.

6.

Doe de schemerlamp aan.

Hij lacht om ons

met de snelheid van het licht.

Weerstanden krommen voor de stroom.

Moleculen drommen rondom onze intimiteit,

de weggewerkte draden kringelen er doorheen.

Daar suist   langs mijn hand

die je wang streelt. De ingenieurs en architecten hebben

achter strakke tekentafels, op zolders, in koude labaratoria

onze intimiteit een vorm gegeven.

Ik hoor een hoogleraar beweren

dat de cirkel met een straal van verlangen

mooier is dan de parabool van de vervulling.

Hij vraagt me of de lamp een cirkel is of een parabool.

7.

Als ik mijn hand terughaal

lachen we veiliggesteld naar elkaar.

Tussen ons geen dreiging.

Dus waarom zorgen maken

over de overstroming die zich aankondigt

of cyclonen en orkanen die zich voorbereiden

op het nemen van levens die ze ooit wekten?

Zullen we toch maar een reglement opstellen?

Dan blijft de veiligheid.

Een reglement dat dit moment voorgoed

in de kromme tijd etst

en daardoor wordt meegevoerd

als zand op een storm?

Reglementen krommen voor de streling.

Eén hand maakt zo een wet ongedaan.

Hij streelt, hij schrijft, hij moord en steelt,

alles binnen een cirkel,

de rondste vorm aller ronde vormen,

waar regels weggewerkte draden worden.

(We zullen geen reglement opstellen.)

Ik hoor een hoogleraar beweren

dat een formule mooier is

dan een hand die streelt,

omdat hij in de kromme tijd geëtst is

en voor alle generaries die achtereenvolgens

uit het vruchtwater worden gevist

toegankelijk is.

De strelende hand vervliegt,

komt binnen in de tijd,

raakt aan haar kromme

en verdwijnt, glijdt weg

in de afgrond van het tijdeloze,

sneller dan het licht

dat altijd minder indruk maakt

dan het trage geluid.

8.

Het geluid van verstikking,

dat geluid van voorgedragen regels

die gewurgd worden door een lamp,

raakt krachtiger aan de tijdkromme

dan het lichtbeeld van verstikking-

neem het geluid weg

en het beeld is niets.

(We zullen toch een reglement opstellen)

De hand mag de tijd niet tergen

met een overstroming of een aardbeving.

De hand mag strelen en veiliggesteld naar me lachen.

De hand mag verlangens opwekken naar een parabool.

Zie hem gretig tekenen, de hand.

9.

Het vruchtwater is op zijn diepste punt

meer dan tien kilometer.

De herinnering aan mijn spiegelbeelden

zorgt ervoor dat ik de druk besta.

Hier verliest de schemerlamp zijn snelheid

maar ik heb ogen geoogst als lichtgevende parels

die de duisternis verdrijven.

Je echo komt niet onder de oppervlakte,

waaronder niets meer weerspiegelt.

Als licht verstikt kan zijn, dan is het hier verstikt.

Alleen is er de zeeslang met zijn stroom

die jou nooit zal zoeken zoals daarboven zoals daarbuiten.

Als je hem vermijdt laat hij je ongemoeid.

Als je hem vermijdt zal hij je niet verleiden.

Diep in je naar binnen getrokken kieuwen,

van cellen gemaakt

(cirkels met een kern)

ademt een doel zonder naam.

Op de bodem borrelen bacteriën,

vormen van Picasso voor wie goed kijkt.

Je zoekt iets maar je weet niet wat.

Je mist iets maar je weet niet wat.

Je had een vraag maar bent vergeten.

Het antwoord is: de vraag vergeten?

10.

Wie mijn adem borrelt zal de zwaarden breken.

In duisternis kan niemand licht ontnemen.

De boom van goed en kwaad drijft weg.

Ook in het water worden tranen gewist.

In mijn herinnering hoor ik de hoogleraar beweren

dat in water zelfs een woord verandert.

Het wordt langgerekter door de druk.

Onverstaanbaar.

Het leven wordt hier in zee geboren.

De dood wordt op het land vervolmaakt.

In de grond, boven de tektonische platen, vervelt het gebeente.

Hier kan mijn hand je onbespied onteren.

Ik schraap langs de bodem, langs de baarmoederwand.

11.

stijgt omhoog, ontsnapt de zwaartekracht.

De klokken zijn niet tegen de druk bestand. Ze knappen.

De krommen barsten.

Alleen de vis houdt stand;

weet je nog dat ze je die aanbood in een droom?

Er is een orde, geen reglement.

De moleculen zijn vervlochten met elkaar.

Het is niet kil in de diepte van de zee.

Het is niet donker.

Het is de eerste dag.

Het is de wording van hemel en aarde.

Het is de borreling van bacteriën.

Diep onder de vloed waarop de goden broeden, broeit de duisternis.

12.

Zie de Spaanse schilder met zijn kieuwen.

Zie hem omhoog borrelen op de bodem, langs de wand.

Hij wilde de goden helpen.

Hij maakte mensenvormen van metaal.

Dat deed hij vroeger al.

Dat kun je zien in zijn museum in Le Marais.

Hij wist dat hij zich niet gelijk hoefde te stellen aan de goden,

maar dat hij de goden gelijk was,

zo hebben ze hem gemaakt.

Nu zie je ook de ingenieurs en architecten opborrelen.

Hou mijn hand vast, we dromen niet.

Ik de narcist wil je het leven redden.

Ik de narcist weet wat onvoorwaardelijke liefde is.

Ik heb het in mijn spiegelbeeld gezien.

We drijven omhoog.

Jouw hand. Mijn hand. Ze legden formules vast,

Maar wat zijn formules.

We drijven omhoog.

In het water wordt     krachteloos.

We drijven omhoog.

We laten los.

Als vissen dwalen we naar boven.

De snelheid neemt toe.

Het licht houdt ons hier niet bij.

Je ogen worden als spiegels.

Mijn longen barsten open.

Mijn armen worden klei.

We schieten kronkelend uit het water.

Een kreet. Bloed. Pezen. Botten.

Een barende vrouw.

We gebruiken elkaars adem en vouwen parend in elkaar.

Ik hoor weer hoe mijn woorden zich aan je gehemelte hechten.

Je verandert in een parabool.

In de vervulling zeg je telkens weer mijn woorden.

…mijn woorden, mijn woorden, mijn woorden…

Ik word een vulkaan en spuug mijn lava over je uit.

Zo werp ik je weg en sommeer je nooit meer terug te komen.

Jij lichaamloze nimf met je voorwaardelijke liefde.

Ik zal mijn spiegels weer dromen

en zwelgen boven water.

Dus laat de slang erbuiten

Breek het glas en hak de bomen.

1.

Ik gebruikte gretig je adem.

Ik meende dat het de gramstorige goden waren

die in het DNA-klei van

je pezen en botten en bloed,

leven bliezen met hun cyclonen en orkanen,

toen de wereld alleen nog maar

borrelende bacteriën

uit diepzeespleten kraamde.

Ik gebruikte gulzig je adem.

Ik nam haar uit drooggevallen, naar binnen gekeerde kieuwen,

want vissen dat waren we ooit óók,

ver voordat we op het land kropen

om de wereld te vernieuwen.

(Wat hebben we in al die millennia onder water

eigenlijk gedaan?)

2.

Wie mijn adem zo gretig gebruikt,

zei je bij het picassomuseum in le marais besmuikt,

zal zich op mij moeten voortplanten

chromosomen mengen, helix aan helix rijgen,

klei uit de aarde nemen,

dat is mijn baarmoeder,

kernen, membramen, protoplasma,

dát te maken,

want het is allemaal voorradig

in de borrelende bacteriën van de diepzeespleten.

Weet je nog, ver voordat je mijn adem gebruikte,

toen de elementen nog niet waren geëxplodeerd,

toen we nog leefden in een wereld van edelstenen,

dat ik je toen een vis aanbood in je droom?

weet je nog dat je dat droomde,

veel later, ver nadat de hof met brandende zwaarden was toegesloten,

en nog later,

toen je uit haar was ontsnapt?

Je hebt haar als een echo weggesmeten,

jij die altijd weg wil glijden

in de rimpelende afgrond van je spiegelbeeld,

en altijd weer verrijst als

een geile vruchtbaarheidsgod.

Altijd maar weer binnendringen

in de waterige holtes waaruit je opgeborreld bent,

in de zee van vruchtwater-

om het geheim van de millennia oude vis te ontdekken.

3.

Ik gebruikte je adem.

Tussen je woorden rimpelden de wateren.

Ik wist dat ik me alleen in narcisme kon voortplanten.

Ik wist dat wie zichzelf niet liefheeft

de ander niet kan liefhebben.

Ik wist dat ik in de afgrond van mijn ijdelheid moest glijden

om de echo’s te doven

van mijn leegte.

Ik wist dat chromosomen, membramen, cellen, DNA,

het klei dat de goden namen om ons te beademen,

ik wist dat dat ons in stand zou houden

op het altijd schuivende land

met zijn bevingen en vulkanen en

onbetrouwbare tektonische platen.

Wie niet in de rimpelloze spiegels

naar zichzelf durft te kijken

zal niet verzadigd raken

zal niet verdwijnen in de kolkende afgronden,

daar waar grote vragen echte antwoorden geven

en waar geheimen openbarsten

zal niet zijn en nooit geworden.

4.

Wie mijn adem gebruikt

zal ook mijn vruchtwater gebruiken

en ogen oogsten die duisternis verlichten

en spiegels zien die van vissen zoogdieren maken,

en nederig van geest de aarde beërven,

de aarde met zijn lava, orkanen en meteorietinslagen.

Klei uit de aarde doet water vergeten

en de tranen drogen in het licht

dat ver voor alle begin al heerste

maar zo lang onttrokken werd aan het zicht

door de boom des levens en de boom van goed en kwaad.

5.

Ik gebruikte je adem:

een slang die ontaardde.

Toen hebben de zwaarden het land gesloten,

je vruchtwater werd het rimpelloze sap

van een verboden appel.

Ik was gedoemd erin te kijken.

De liefde van het land

moest uit mijn spiegelbeeld blijken,

want uit de hof van vroeger

weerklonk nog slechts de echo.

De tuin was een nimf zonder lichaam geworden.

Een godvergeten oord.

Voor wie mij liefheeft wil ik heten

en in narcisme plant ik mij voort.

6.

Doe de schemerlamp aan.

Hij lacht om ons

met de snelheid van het licht.

Weerstanden krommen voor de stroom.

Moleculen drommen rondom onze intimiteit,

de weggewerkte draden kringelen er doorheen.

Daar suist   langs mijn hand

die je wang streelt. De ingenieurs en architecten hebben

achter strakke tekentafels, op zolders, in koude labaratoria

onze intimiteit een vorm gegeven.

Ik hoor een hoogleraar beweren

dat de cirkel met een straal van verlangen

mooier is dan de parabool van de vervulling.

Hij vraagt me of de lamp een cirkel is of een parabool.

7.

Als ik mijn hand terughaal

lachen we veiliggesteld naar elkaar.

Tussen ons geen dreiging.

Dus waarom zorgen maken

over de overstroming die zich aankondigt

of cyclonen en orkanen die zich voorbereiden

op het nemen van levens die ze ooit wekten?

Zullen we toch maar een reglement opstellen?

Dan blijft de veiligheid.

Een reglement dat dit moment voorgoed

in de kromme tijd etst

en daardoor wordt meegevoerd

als zand op een storm?

Reglementen krommen voor de streling.

Eén hand maakt zo een wet ongedaan.

Hij streelt, hij schrijft, hij moord en steelt,

alles binnen een cirkel,

de rondste vorm aller ronde vormen,

waar regels weggewerkte draden worden.

(We zullen geen reglement opstellen.)

Ik hoor een hoogleraar beweren

dat een formule mooier is

dan een hand die streelt,

omdat hij in de kromme tijd geëtst is

en voor alle generaries die achtereenvolgens

uit het vruchtwater worden gevist

toegankelijk is.

De strelende hand vervliegt,

komt binnen in de tijd,

raakt aan haar kromme

en verdwijnt, glijdt weg

in de afgrond van het tijdeloze,

sneller dan het licht

dat altijd minder indruk maakt

dan het trage geluid.

8.

Het geluid van verstikking,

dat geluid van voorgedragen regels

die gewurgd worden door een lamp,

raakt krachtiger aan de tijdkromme

dan het lichtbeeld van verstikking-

neem het geluid weg

en het beeld is niets.

(We zullen toch een reglement opstellen)

De hand mag de tijd niet tergen

met een overstroming of een aardbeving.

De hand mag strelen en veiliggesteld naar me lachen.

De hand mag verlangens opwekken naar een parabool.

Zie hem gretig tekenen, de hand.

9.

Het vruchtwater is op zijn diepste punt

meer dan tien kilometer.

De herinnering aan mijn spiegelbeelden

zorgt ervoor dat ik de druk besta.

Hier verliest de schemerlamp zijn snelheid

maar ik heb ogen geoogst als lichtgevende parels

die de duisternis verdrijven.

Je echo komt niet onder de oppervlakte,

waaronder niets meer weerspiegelt.

Als licht verstikt kan zijn, dan is het hier verstikt.

Alleen is er de zeeslang met zijn stroom

die jou nooit zal zoeken zoals daarboven zoals daarbuiten.

Als je hem vermijdt laat hij je ongemoeid.

Als je hem vermijdt zal hij je niet verleiden.

Diep in je naar binnen getrokken kieuwen,

van cellen gemaakt

(cirkels met een kern)

ademt een doel zonder naam.

Op de bodem borrelen bacteriën,

vormen van Picasso voor wie goed kijkt.

Je zoekt iets maar je weet niet wat.

Je mist iets maar je weet niet wat.

Je had een vraag maar bent vergeten.

Het antwoord is: de vraag vergeten?

10.

Wie mijn adem borrelt zal de zwaarden breken.

In duisternis kan niemand licht ontnemen.

De boom van goed en kwaad drijft weg.

Ook in het water worden tranen gewist.

In mijn herinnering hoor ik de hoogleraar beweren

dat in water zelfs een woord verandert.

Het wordt langgerekter door de druk.

Onverstaanbaar.

Het leven wordt hier in zee geboren.

De dood wordt op het land vervolmaakt.

In de grond, boven de tektonische platen, vervelt het gebeente.

Hier kan mijn hand je onbespied onteren.

Ik schraap langs de bodem, langs de baarmoederwand.

11.

stijgt omhoog, ontsnapt de zwaartekracht.

De klokken zijn niet tegen de druk bestand. Ze knappen.

De krommen barsten.

Alleen de vis houdt stand;

weet je nog dat ze je die aanbood in een droom?

Er is een orde, geen reglement.

De moleculen zijn vervlochten met elkaar.

Het is niet kil in de diepte van de zee.

Het is niet donker.

Het is de eerste dag.

Het is de wording van hemel en aarde.

Het is de borreling van bacteriën.

Diep onder de vloed waarop de goden broeden, broeit de duisternis.

12.

Zie de Spaanse schilder met zijn kieuwen.

Zie hem omhoog borrelen op de bodem, langs de wand.

Hij wilde de goden helpen.

Hij maakte mensenvormen van metaal.

Dat deed hij vroeger al.

Dat kun je zien in zijn museum in Le Marais.

Hij wist dat hij zich niet gelijk hoefde te stellen aan de goden,

maar dat hij de goden gelijk was,

zo hebben ze hem gemaakt.

Nu zie je ook de ingenieurs en architecten opborrelen.

Hou mijn hand vast, we dromen niet.

Ik de narcist wil je het leven redden.

Ik de narcist weet wat onvoorwaardelijke liefde is.

Ik heb het in mijn spiegelbeeld gezien.

We drijven omhoog.

Jouw hand. Mijn hand. Ze legden formules vast,

Maar wat zijn formules.

We drijven omhoog.

In het water wordt     krachteloos.

We drijven omhoog.

We laten los.

Als vissen dwalen we naar boven.

De snelheid neemt toe.

Het licht houdt ons hier niet bij.

Je ogen worden als spiegels.

Mijn longen barsten open.

Mijn armen worden klei.

We schieten kronkelend uit het water.

Een kreet. Bloed. Pezen. Botten.

Een barende vrouw.

We gebruiken elkaars adem en vouwen parend in elkaar.

Ik hoor weer hoe mijn woorden zich aan je gehemelte hechten.

Je verandert in een parabool.

In de vervulling zeg je telkens weer mijn woorden.

…mijn woorden, mijn woorden, mijn woorden…

Ik word een vulkaan en spuug mijn lava over je uit.

Zo werp ik je weg en sommeer je nooit meer terug te komen.

Jij lichaamloze nimf met je voorwaardelijke liefde.

Ik zal mijn spiegels weer dromen

en zwelgen boven water.

Dus laat de slang erbuiten

Breek het glas en hak de bomen.

1.

Ik gebruikte gretig je adem.

Ik meende dat het de gramstorige goden waren

die in het DNA-klei van

je pezen en botten en bloed,

leven bliezen met hun cyclonen en orkanen,

toen de wereld alleen nog maar

borrelende bacteriën

uit diepzeespleten kraamde.

Ik gebruikte gulzig je adem.

Ik nam haar uit drooggevallen, naar binnen gekeerde kieuwen,

want vissen dat waren we ooit óók,

ver voordat we op het land kropen

om de wereld te vernieuwen.

(Wat hebben we in al die millennia onder water

eigenlijk gedaan?)

2.

Wie mijn adem zo gretig gebruikt,

zei je bij het picassomuseum in le marais besmuikt,

zal zich op mij moeten voortplanten

chromosomen mengen, helix aan helix rijgen,

klei uit de aarde nemen,

dat is mijn baarmoeder,

kernen, membramen, protoplasma,

dát te maken,

want het is allemaal voorradig

in de borrelende bacteriën van de diepzeespleten.

Weet je nog, ver voordat je mijn adem gebruikte,

toen de elementen nog niet waren geëxplodeerd,

toen we nog leefden in een wereld van edelstenen,

dat ik je toen een vis aanbood in je droom?

weet je nog dat je dat droomde,

veel later, ver nadat de hof met brandende zwaarden was toegesloten,

en nog later,

toen je uit haar was ontsnapt?

Je hebt haar als een echo weggesmeten,

jij die altijd weg wil glijden

in de rimpelende afgrond van je spiegelbeeld,

en altijd weer verrijst als

een geile vruchtbaarheidsgod.

Altijd maar weer binnendringen

in de waterige holtes waaruit je opgeborreld bent,

in de zee van vruchtwater-

om het geheim van de millennia oude vis te ontdekken.

3.

Ik gebruikte je adem.

Tussen je woorden rimpelden de wateren.

Ik wist dat ik me alleen in narcisme kon voortplanten.

Ik wist dat wie zichzelf niet liefheeft

de ander niet kan liefhebben.

Ik wist dat ik in de afgrond van mijn ijdelheid moest glijden

om de echo’s te doven

van mijn leegte.

Ik wist dat chromosomen, membramen, cellen, DNA,

het klei dat de goden namen om ons te beademen,

ik wist dat dat ons in stand zou houden

op het altijd schuivende land

met zijn bevingen en vulkanen en

onbetrouwbare tektonische platen.

Wie niet in de rimpelloze spiegels

naar zichzelf durft te kijken

zal niet verzadigd raken

zal niet verdwijnen in de kolkende afgronden,

daar waar grote vragen echte antwoorden geven

en waar geheimen openbarsten

zal niet zijn en nooit geworden.

4.

Wie mijn adem gebruikt

zal ook mijn vruchtwater gebruiken

en ogen oogsten die duisternis verlichten

en spiegels zien die van vissen zoogdieren maken,

en nederig van geest de aarde beërven,

de aarde met zijn lava, orkanen en meteorietinslagen.

Klei uit de aarde doet water vergeten

en de tranen drogen in het licht

dat ver voor alle begin al heerste

maar zo lang onttrokken werd aan het zicht

door de boom des levens en de boom van goed en kwaad.

5.

Ik gebruikte je adem:

een slang die ontaardde.

Toen hebben de zwaarden het land gesloten,

je vruchtwater werd het rimpelloze sap

van een verboden appel.

Ik was gedoemd erin te kijken.

De liefde van het land

moest uit mijn spiegelbeeld blijken,

want uit de hof van vroeger

weerklonk nog slechts de echo.

De tuin was een nimf zonder lichaam geworden.

Een godvergeten oord.

Voor wie mij liefheeft wil ik heten

en in narcisme plant ik mij voort.

6.

Doe de schemerlamp aan.

Hij lacht om ons

met de snelheid van het licht.

Weerstanden krommen voor de stroom.

Moleculen drommen rondom onze intimiteit,

de weggewerkte draden kringelen er doorheen.

Daar suist   langs mijn hand

die je wang streelt. De ingenieurs en architecten hebben

achter strakke tekentafels, op zolders, in koude labaratoria

onze intimiteit een vorm gegeven.

Ik hoor een hoogleraar beweren

dat de cirkel met een straal van verlangen

mooier is dan de parabool van de vervulling.

Hij vraagt me of de lamp een cirkel is of een parabool.

7.

Als ik mijn hand terughaal

lachen we veiliggesteld naar elkaar.

Tussen ons geen dreiging.

Dus waarom zorgen maken

over de overstroming die zich aankondigt

of cyclonen en orkanen die zich voorbereiden

op het nemen van levens die ze ooit wekten?

Zullen we toch maar een reglement opstellen?

Dan blijft de veiligheid.

Een reglement dat dit moment voorgoed

in de kromme tijd etst

en daardoor wordt meegevoerd

als zand op een storm?

Reglementen krommen voor de streling.

Eén hand maakt zo een wet ongedaan.

Hij streelt, hij schrijft, hij moord en steelt,

alles binnen een cirkel,

de rondste vorm aller ronde vormen,

waar regels weggewerkte draden worden.

(We zullen geen reglement opstellen.)

Ik hoor een hoogleraar beweren

dat een formule mooier is

dan een hand die streelt,

omdat hij in de kromme tijd geëtst is

en voor alle generaries die achtereenvolgens

uit het vruchtwater worden gevist

toegankelijk is.

De strelende hand vervliegt,

komt binnen in de tijd,

raakt aan haar kromme

en verdwijnt, glijdt weg

in de afgrond van het tijdeloze,

sneller dan het licht

dat altijd minder indruk maakt

dan het trage geluid.

8.

Het geluid van verstikking,

dat geluid van voorgedragen regels

die gewurgd worden door een lamp,

raakt krachtiger aan de tijdkromme

dan het lichtbeeld van verstikking-

neem het geluid weg

en het beeld is niets.

(We zullen toch een reglement opstellen)

De hand mag de tijd niet tergen

met een overstroming of een aardbeving.

De hand mag strelen en veiliggesteld naar me lachen.

De hand mag verlangens opwekken naar een parabool.

Zie hem gretig tekenen, de hand.

9.

Het vruchtwater is op zijn diepste punt

meer dan tien kilometer.

De herinnering aan mijn spiegelbeelden

zorgt ervoor dat ik de druk besta.

Hier verliest de schemerlamp zijn snelheid

maar ik heb ogen geoogst als lichtgevende parels

die de duisternis verdrijven.

Je echo komt niet onder de oppervlakte,

waaronder niets meer weerspiegelt.

Als licht verstikt kan zijn, dan is het hier verstikt.

Alleen is er de zeeslang met zijn stroom

die jou nooit zal zoeken zoals daarboven zoals daarbuiten.

Als je hem vermijdt laat hij je ongemoeid.

Als je hem vermijdt zal hij je niet verleiden.

Diep in je naar binnen getrokken kieuwen,

van cellen gemaakt

(cirkels met een kern)

ademt een doel zonder naam.

Op de bodem borrelen bacteriën,

vormen van Picasso voor wie goed kijkt.

Je zoekt iets maar je weet niet wat.

Je mist iets maar je weet niet wat.

Je had een vraag maar bent vergeten.

Het antwoord is: de vraag vergeten?

10.

Wie mijn adem borrelt zal de zwaarden breken.

In duisternis kan niemand licht ontnemen.

De boom van goed en kwaad drijft weg.

Ook in het water worden tranen gewist.

In mijn herinnering hoor ik de hoogleraar beweren

dat in water zelfs een woord verandert.

Het wordt langgerekter door de druk.

Onverstaanbaar.

Het leven wordt hier in zee geboren.

De dood wordt op het land vervolmaakt.

In de grond, boven de tektonische platen, vervelt het gebeente.

Hier kan mijn hand je onbespied onteren.

Ik schraap langs de bodem, langs de baarmoederwand.

11.

stijgt omhoog, ontsnapt de zwaartekracht.

De klokken zijn niet tegen de druk bestand. Ze knappen.

De krommen barsten.

Alleen de vis houdt stand;

weet je nog dat ze je die aanbood in een droom?

Er is een orde, geen reglement.

De moleculen zijn vervlochten met elkaar.

Het is niet kil in de diepte van de zee.

Het is niet donker.

Het is de eerste dag.

Het is de wording van hemel en aarde.

Het is de borreling van bacteriën.

Diep onder de vloed waarop de goden broeden, broeit de duisternis.

12.

Zie de Spaanse schilder met zijn kieuwen.

Zie hem omhoog borrelen op de bodem, langs de wand.

Hij wilde de goden helpen.

Hij maakte mensenvormen van metaal.

Dat deed hij vroeger al.

Dat kun je zien in zijn museum in Le Marais.

Hij wist dat hij zich niet gelijk hoefde te stellen aan de goden,

maar dat hij de goden gelijk was,

zo hebben ze hem gemaakt.

Nu zie je ook de ingenieurs en architecten opborrelen.

Hou mijn hand vast, we dromen niet.

Ik de narcist wil je het leven redden.

Ik de narcist weet wat onvoorwaardelijke liefde is.

Ik heb het in mijn spiegelbeeld gezien.

We drijven omhoog.

Jouw hand. Mijn hand. Ze legden formules vast,

Maar wat zijn formules.

We drijven omhoog.

In het water wordt     krachteloos.

We drijven omhoog.

We laten los.

Als vissen dwalen we naar boven.

De snelheid neemt toe.

Het licht houdt ons hier niet bij.

Je ogen worden als spiegels.

Mijn longen barsten open.

Mijn armen worden klei.

We schieten kronkelend uit het water.

Een kreet. Bloed. Pezen. Botten.

Een barende vrouw.

We gebruiken elkaars adem en vouwen parend in elkaar.

Ik hoor weer hoe mijn woorden zich aan je gehemelte hechten.

Je verandert in een parabool.

In de vervulling zeg je telkens weer mijn woorden.

…mijn woorden, mijn woorden, mijn woorden…

Ik word een vulkaan en spuug mijn lava over je uit.

Zo werp ik je weg en sommeer je nooit meer terug te komen.

Jij lichaamloze nimf met je voorwaardelijke liefde.

Ik zal mijn spiegels weer dromen

en zwelgen boven water.

Dus laat de slang erbuiten

Breek het glas en hak de bomen.

September 2009

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s