De hardvochtige Samaritaan

samariaVeel kunstenaars hebben de prachtigste kunstwerken te danken aan een boek dat minder populair is dan hun werk. De bijbel. Daarin staat onder andere het leven van Jezus beschreven. Vier keer maar liefst. Interessant zijn vooral de verhalen die dit idool van christenen aan zijn tijdgenoten vertelde. Die verhalen stonden niet op zich. Binnen de Joodse cultuur van Jezus was het heel normaal om mensen via verhalen iets te leren. Een bekende vergelijking is die van de verloren zoon. Op dit verhaal baseerde ik het verhaal ‘De hardvochtige Samaritaan’. Hieronder kunt u het lezen.

 

De hitte verdween uit de dag in Samaria. De normaliter waterrijke heuvels lagen krukdroog in de avondzon, als omgekeerde stoppelkinnen. Vlakbij de hoeve van zijn vader Jitschak loopt Ja’akov met twee aangelijnde ezels door de olijfgaarden. Hij hoort het geluid van trommels, snaarinstrumenten en uitbundige mensenstemmen. Het feestgedruis neemt toe naar mate hij het huis van zijn vader nadert.

Zijn ogen, diepliggend onder brede donkere wenkbrauwen, zijn samengeknepen. Van zijn vader erfde hij de fysieke kracht en de werklust, van zijn moeder het gedrongen lichaam, het weelderige zwarte haar en het gesloten karakter. Hij is geen man die met woorden morst. Als iets hem raakt wordt hij stil. Het is alsof hij zijn gevoel in een diepe put bewaart.

 

De oude Jitschak ligt aan aan één van de tafels in de binnenplaats van een huis, dat op een Romeinse villa lijkt. Zijn jongste zoon Jechizkia ligt naast hem. Jechizkia is een magere, aantrekkelijke man met een bruin gezicht en de fijne trekken van zijn vader. Nu en dan hoest hij. Hij is bijna vrij van pijn in zijn longen, die hem lange tijd kwelde.

Niet ver van de drinkende en zingende menigte voeren vader en zoon een gesprek met een Galileeër in voor zijn streek gebruikelijke zwarte kleren. Een vreemdeling. Hun gast.

‘En jullie kennen elkaar van Kana?’ vraagt de oude. Jechizkia knikt en kijkt bewonderend naar de Galileeër die in de lach schiet.

‘Ik zie zoveel mensen de laatste tijd. Het was in Kana zo druk dat ik me hem niet meer herinner. Sorry.’

‘We zijn stomdronken geworden, vader. Door hem. Eerst werd er alleen water geschonken op die bruiloft, maar hij regelde wijn.’

Zijn vader fronste en keek zijn zoon bezorgd aan.

‘En waar wijn is, daar kan mijn zoon niet ver zijn.’

Jechizkia sloeg zijn ogen neer.

‘Ik drink nier meer, vader, sinds ik hem heb ontmoet.’

‘Nou, nou, je hebt indruk op hem gemaakt, mijn waarde gast’

De Galileeër bracht een glas wijn naar zijn lippen.

‘Dat lukte je gisteren niet bij de Samaritaanse dorpelingen. Ze hebben je behoorlijk uitgescholden. Maar trek het je niet aan. Het zijn kortzichtige mensen.’

‘Dat doen ze niet alleen in Samaria. In Galilea heb ik het vaak meegemaakt dat mensen op me scholden. Als je iets te vertellen hebt, komt er altijd een reactie. Zeker als je verhalen dicht bij het leven van alledag staan.’

‘Hij kan prachtig vertellen’ vond Jechizkia ‘Het raakt je.’

De Galileeër knikte.

‘Ja, dat kan ik. Ik ben altijd op zoek naar verhalen. Verhalen raken de mensen.’

De oude nam zijn gast op. Het was niet de eerste verhalenverteller uit Galilea, die hij te gast had. Hij hield van die mensen al leefde zijn volk op gespannen voet met ze. Samaritanen vonden Galileeërs arrogant en fanatiek. Er waren er heel wat die zich de messias waanden. Dat was precies wat Jitschak boeiend in ze vond. De bescheidenheid van zijn eigen volk stak daar flets bij af.

´Ik ben blij dat ik jou en je mensen heb kunnen beschermen tegen ze. Ze zouden je hebben gelyncht´

Opnieuw lachte de Galileeèr.

´Ik ben wel vaker geslagen, en dat zal niet minder worden als ik straks naar Judea ga, dat een land van Romeinen en landverraders is geworden. Dan zal ik heel wat meer te verduren krijgen dan in de dorpen van Samaria.´

 

‘Zo, zo, weer een Galileeër die naar Judea wil.’ klonk het plotseling ironisch.

Pas nu viel het Jitschak op dat de muziek was opgehouden. Hij herkende de stem onmiddellijk.

‘Ja’akov, mijn zoon, kom aanliggen en neem iets.’

Ja’akov negeerde de woorden van zijn vader en bleef zich richten op de vreemdeling.

‘En wat ga je ze in Jeruzalem vertellen? Dat je de ons beloofde messias bent?’

Hij grijnsde.

‘Dat wordt dan zeker de kruisdood, kerel. Jullie Galileeërs weten het, en toch gaan jullie er elke keer weer heen. En allemaal naar Judea, want Samaria is natuurlijk te min.’

‘Ja’akov’ verzuchtte Jitschak ‘Neem iets te drinken en hou op met mijn gast uit te dagen.’

‘Laat hem maar gaan’ suste de Galileeër ‘Hij is boos. Het zit erin en het moet eruit. Een mens mag zich uiten.’

‘Maar hij kan zich niet uiten’ zei Jechizkia met een spottend lachje. Zijn broer keek hem een moment indringend aan, ging toen zitten, een beetje gebogen, met de handen gevouwen tussen zijn benen waardoor zijn kleed als een broek om zijn benen sloot.

‘Is dat zo?’ vroeg de Galileeër.

‘Wat?’

‘Dat je je niet uiten kan?’

‘Ik begrijp dat je niet reageert op mijn vragen en opmerkingen, Galileeër.’

‘Als je een vraag formuleert zonder aantijging of verwijt, geef ik graag antwoord’

Ja’akov lachte scheef.

‘Ik merk dat je mijn eerlijkheid uitlegt als verwijt. Dan heb ik geen vragen.’

Jitschak kwam uit de liggende houding, maakte zich los van Jechizkia en ging rechtop zitten, recht tegenover Ja’akov.

‘Heb je de muziek gevraagd op te houden?’

‘Nee, ze stopten uit zichzelf toen ik binnen kwam’

‘Omdat ze je gevoel raadden, misschien?’ vroeg Jechizkia terwijl hij zijn blik afwendde naar de musici, die in de richting keken van zijn vader en zijn broer, net als de andere gasten.

‘Als de vragen genegeerd worden die ik aan mijn vaders gasten stel, waarom zou ik dan de vragen moeten beantwoorden van een dronkelap en een hoerenloper?’

‘Hou je mond dicht’

De vier eenlettergrepige woorden van zijn vader beten Ja’akov als een schorpioen.

‘We hebben hier een feest. Je beledigt mijn gast, je provoceert je broer die na drie jaar weggeweest te zijn, eindelijk is teruggekeerd en zijn oprechte excuses heeft aangeboden voor de dingen die hij heeft gedaan. Wat is er, jongen? Waarom gedraag je je als een jaloerse Ezau? Spreek, doe mee met ons feestje of verdwijn!’

De Galileeër in het zwart mengde zich in het gesprek.

‘Haal jezelf uit de duisternis van je woede, man. De waarheid is als een kostbaar sieraad. Wie hem bewaart in de donkere grotten van zijn hart, heeft er niets aan. Maar leg hem in het licht en je zult de schittering gewaar worden.’

‘Hou je beelden maar voor je, Galileeër. Je lijkt wel een Esseen. Die hebben het ook altijd over licht en duisternis.’

‘Ik waarschuw je voor de laatste keer, Ja’akov. Spreek of verdwijn.’ riep zijn vader uit ‘En laat de muziek doorspelen. Er is hier een feest. Dat laten we niet vergallen.’

De trommels en de snaar- en blaasinstrumenten begonnen weer te spelen, maar de inspiratie leek weggevloeid.

‘Goed’ zei Ja’akov, die zijn rug rechtte en zijn vader, zijn broer en de Galileeër beurtelings aan keek ‘Ik zal spreken’

Een deel van de feestgangers was naderbij gekomen tijdens het gesprek. Jitschak zag het en knikte in de richting van de muzikanten.

‘Daarheen’

Maar ze bleven staan.

‘Galileeër’ begon Ja’akov ‘Excuseer me voor mijn gedrag, maar mijn vader nodigt te pas en te onpas volksgenoten van je uit. Meestal vertellen ze hem hetzelfde verhaal, namelijk dat ze de toekomstige messias zijn, en verdwijnen nadat ze zich tegoed hebben gedaan aan de gastvrijheid van mijn vader die geen grenzen kent.

Vergis je niet in me, ik heb mijn vader lief als mijn eigen huid en beenderen. Hij heeft echter een zwakte. Als ik het verhaal niet kende van de beschonken Noach in de opening van de tent…’

‘Kom tot de kern van de zaak’ onderbrak Jitschak, die nauwkeurig lette op het effect dat de woorden op de Galileeër hadden. En maak het niet te lang. We willen feiten.’

‘Dit is de kern van de zaak. Noach prees de zoons die zijn dronkenschap voor de buitenwereld verborgen hielden. Zo zal ik de zwakte van mijn vader verborgen houden. Het enige dat ik erover zal zeggen, is dat hij graag feesten organiseert en dat er mensen zijn die er misbruik van maken.’

De Galileeër knikte en lachte vergoelijkend naar Jitschak. Ja’akov ging verder met zijn betoog.

‘Mijn broer daar heeft hem veel verdriet gedaan. Maandenlang heeft mijn vader ontroostbaar in de wijn- en olijfgaarden gedwaald. Hij is een harde werker, maar werkte niet meer. Hij sprak geen woord. Hij miste zijn zoon.

Die zoon was in Rome. Hij bezocht er hoeren, dronk zich een delirium met gajes van allerlei soort. Toen zijn moeder de verhalen hoorde, is ze er zo ziek van geworden, dat ze stierf in het 2e jaar van zijn afwezigheid. We hebben boodschappers naar hem gestuurd om dit te vertellen, maar hij reageerde nergens op.’

Jechizkia zette grote ogen op.

‘Die boodschappers heb ik nooit gezien’

‘Omdat je geest te beneveld was’ wierp zijn broer tegen. De menigte lachte.

‘Goed, na drie jaar komt hij terug naar het huis van zijn vader. Zijn geld op. Er is crisis in Rome. Je weet hoe dat gaat, Galileeër. In tijden dat het goed gaat, vergeten mensen te sparen. Ze reageren alleen op dingen die ze onmiddellijk voelen.’

De Galileeër knikte. Jitschak boog het hoofd. Het verhaal van zijn oudste zoon herinnerde hem aan de moeilijkste periode van zijn leven.

‘Weet je het nog, vader? Weet je nog hoe het voelde, al die dagen in de gaarden? We moesten je bijna dwingen om te eten omdat je zoon Jechizkia zijn familie niet meer wilde kennen. En wat doe je bij zijn terugkeer? Je omhelst hem en organiseert een feest voor hem. En waarom? Omdat dat het enige is waar hij gevoelig voor is. Want hij gaat waar de wijn vloeit.’

Jitschak hief zijn hand op, terwijl hij zijn hoofd gebogen hield, maar zijn oudste zoon van onderuit aankeek en soms met zijn blik afdwaalde naar de Galileeër.

‘Ik weet het nog, maar het was niet zijn schuld’

Ja’akov schudde met zijn hoofd.

‘Niet zijn schuld? Hoezo? Sinds wanneer zijn mensen niet meer verantwoordelijk voor hun daden? En wat denk je van mij, vader? Waarom is er voor mij nooit een feest aangericht? Ik die je in alles trouw is, iedere seconde van mijn leven, ik die alles voor je zou doen, die zijn deel van het geld in je ondernemingen heeft gestoken, je kapitaal heeft vermeerderd door te oogsten, te slachten en te melken. Waarom heb je voor die zoon nooit een feest georganiseerd?’

Jitschak liet zijn hand weer zakken en leek nog dieper te buigen.

‘Waarom zei je dat het niet zijn schuld was?’ vroeg de Galileeër. De vader keek op, met een duisternis in zijn blik die de menigte alleen van Ja’akov kende. Hij keek de kring rond, langs de menigte, naar Jechizkia, naar Ja’akov en tenslotte naar de Galileeër. Daarna sprak hij voor zich uit, zonder iemand in het bijzonder aan te kijken.

‘Ja’akov, je hebt gelijk. Ik heb je nooit gegeven waar je recht op had. Ik heb je altijd lief gehad, zoals ik je moeder lief had. Mensen die je trouw zijn, lijken na verloop van jaren een vanzelfsprekendheid. Ze krijgen zelden de beloning die ze verdienen. Maar je hebt me ontroerd door je loyaliteit, doordat je een stabiele factor was. Op jou kon je bouwen.

Maar ik ben zo somber geweest om je broer omdat mijn geweten me pijnigde.’

Omdat iedereen zweeg, stelde de Galileeër een vraag.

‘Waarom pijnigde je geweten je?’

‘Omdat ik Jechizkia zelf heb aangeraden om het geld te verbrassen.’

Ja’akov kwam verder naar voren zitten.

‘Ik heb hem zelf aangemoedigd om de bloemetjes buiten te zetten. Ga naar Rome, heb ik gezegd. Leef! Drink, vier feest en beleef de vrouwen!’

Schuldbewust keek hij naar de Galileeër.

‘Ik heb hem zelfs meegenomen naar plaatsen waar hoeren kwamen en waar gedronken werd.’

Iedereen zweeg nu en terwijl de muziek flauwtjes het vacuüm vulde, observeerde Ja’akov zijn vader indringend. Jechizkia wendde zijn blik af naar de muziek, de Galileeër nam de drie om de beurt op.

‘Ik hen hem ingewijd, hem aan twee vrouwen meegegeven na een avond van drank en feest. En ik heb hem gezegd dat dat leven waardevoller was dan een leven van werken op het land. Ik wilde niet dat hij verloren zou gaan door de saaie routine van het landleven, waartegen Ja’akov nu eenmaal beter bestand is dan de fijngevoelige Jechizkia. Hij zou sterven van verveling. Hij is geen man voor het land.’

Ja’akov schudde met zijn hoofd.

‘En ik wel? Ik ben niet zo fijngevoelig. Dus hoefde ik niet meegenomen te worden naar de hoeren.’

‘Je bent zoals je moeder, jongen. Geboren tussen de gaarden, geboren voor de gaarden. Jij zal deze gronden erven.’

‘Ik de gronden en hij het geluk. De fijngevoelige krijgt de lusten, de landman de lasten.’

Hij stond op, deed een paar passen in de richting van zijn vader en boog zich zo dat zijn gezicht dicht bij dat van zijn vader kwam.

‘Wat ben je voor vader? Je laat de ene zoon zwoegen temidden van slangen, spinnen en schorpioenen, zijn lichaam vol wonden van het zware werk, terwijl je de ander het hoereren leert. Je verdient mijn loyaliteit niet, vader. En dat zal je weten ook. Ik zal gaan doen wat Jechizkia deed. Ik zal mijn kapitaal gaan verbrassen. Niet in Rome, want ik haat alles wat daarvandaan komt, maar in Tyrus en Sidon en Damascus. Ik zal vrouwen nemen, talrijker dan de korrels zand aan de zee. Ik zal wijn drinken tot de morgenster zich laat zien in de hemel. Ik vertrek morgen.’

Toen wendde hij zich tot de Galileeër.

‘Weet bij wie je te gast bent, man. Drinkebroeders en hoerenlopers zijn het.’

Hij spuugde op de grond, voor de voeten van zijn broer.

‘Je bent al even gedegenereerd als het geslacht van koning Herodes.’ zei hij bitter. Hij keek iedereen nog eens aan met de duisternis van afkeer en woede, draaide zich om en verdween met krachtige vastberaden tred.

 

Het feest zakte in. De oude vertrok, Jechizkia volgde hem maar kwam later terug. Hij wendde zich tot de Galileeër die in het vuur keek.

‘Moeten jullie niet gaan?’ vroeg hij met een zachte stem. De Galileeër schudde zijn hoofd.

‘Je vader is een groot mens’ zei hij ‘Hij heeft gedwaald maar hij is tot inkeer gekomen, net als jij. Ik overnacht hier en zal morgen een ochtendmaal bereiden. En ik zal proberen om je broer op andere gedachten te brengen. Bovendien…’

Hij glimlachte slim.

‘…neem ik van hier een schitterend verhaal mee. Talloze mensen zullen van jullie ervaringen leren. Niets is slecht van zichzelf, Jechizkia.’

Jechizkia keek hem vorsend aan, glimlachte toen ook en nam nog een slok. Water deze keer.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s