Toespraak vanwege mijn 50e verjaardag

Herschaalde kopie van lente 2006, rondom zwolle 097Gisteren vierde ik in het prachtige Klooster in Harderwijk mijn 50e verjaardag. Het werd een geweldig feest. Maar ja, je kunt zo’n creatief centrum met kelder, theater en bar dan ook geweldig benutten voor feestjes. Ik was er met de mensen die iets voor mij betekenen. Na 50 jaar zijn er dat er best veel. Zo wil je graag 50 worden. Ik heb enorm genoten van de toespraken van mijn dochter, mijn vriendin en een paar vrienden. En natuurlijk ook van de muziek van Karim en Robin van Vliet. Zelf hield ik ook een toespraak. Hieronder de tekst.

Toen ik tien was speelde ik Ruud Krol van Ajax volledig uit de wedstrijd en  kreeg ik het voor elkaar dat Feyenoord, dat de heldenmoed had om een zo jeugdig talent op te stellen, de Amsterdammers met 3-1 versloegen. Ik scoorde twee keer.

In datzelfde jaar kwam de eerste hit  op de markt van mijn band ‘Elton Everbich & the Stars’. De plaat kwam op nummer 1 binnen in de hitparade.  Geen slechte prestatie voor het jonge veelzijdige talent dat ik was, al bleek daar bijvoorbeeld maar weinig van bij de blokfluitlessen en het figuurzagen.

Mijn ster was dus rijzende in het mooie jaar 1970. Drie jaar daarvoor had ik voor het eerst ontdekt dat ik mij onderscheidde van mijn leeftijdsgenoten, toen ik in de kerk, waar ik alleen en vrijwillig heen ging, al wel de heilige hostie tot mij mocht nemen, en mijn klasgenoten niet.

Dat gaf een prettige voorsprong. Als ik op stond om ter communie te gaan, en een argeloos leeftijdsgenootje dacht dat hij nu ook wel mocht, wees ik hem liefdevol maar met doortastende hand terug naar zijn plaats in de harde kerkbank.  Dit bescheiden machtsvertoon maakte het verblijf in de kerk voor mij tot een vreugde in die tijd. Ik genoot al jong van mijn vooraanstaande rol in de wereld van de geest.

En of dit nog niet genoeg was, het was bij lange na niet alles.  Zo won ik een paar keer per jaar de Tour de France, en kreeg ik het zilver bij de schaatswedstrijden in ons winkelcentrum. Dat die op kousenvoeten over plavuizen tegels veroverd was mocht de pret niet drukken, net zo min als de zilveren medaille, die net zo goed van drop was als de gouden.

Het was niet gemakkelijk om zo’n uitgesproken belofte te zijn, en dan nog gewoon naar school te moeten, waar de meisjes al op jonge leeftijd voor de broodnodige aandacht zorgden, want het spreekt vanzelf dat zo’n groot talent als ik daar veel van nodig had.

Ik begreep er maar weinig van als een leuk meisje haar oog op een ander liet vallen. Als ik in de spiegel keek, zag ik immers veruit de knapste jongen van deze wereld, behalve misschien Heintje dan, maar dat was oneerlijk want die had van moeder Natuur een slagje in zijn haar gekregen. Dat wilde er bij mij maar niet in, hoe ik ook door mijn natte haar slingerde met de stalen kam. Van gels en brylcreem wist ik nog niets in die dagen. Ze hadden me goede diensten kunnen bewijzen.

Ik kon dus eigenlijk alles, en het was een mirakel dat mijn omgeving dat maar zo half begreep. Natuurlijk was er ook een echte competitie, waarin Feyenoord in die dagen heus Ajax wel eens versloeg, maar de wedstrijden waren beduidend minder spannend, dan die waarin ik flonkerde. En ik genoot ook wel eens van de echte top 40, die ik, ver voor mijn leeftijdsgenootjes want in 1967 al, iedere week beluisterde via het piratenschip van Radio Veronica.

Er was dus voldoende reden om mij zeer bijzonder te voelen. Voor mijn omgeving was er ook een taak weggelegd, en dat was mij bewonderen. En dat deed mijn omgeving ook wel. Althans in de wereld die ik over de werkelijkheid heen droomde. Want de grote Ruud Krol speelde ik uit de wedstrijd tegen een witte muur. In de regen. Als u mij gezien zou hebben, was u misschien vrolijk geworden van het jongetje dat daar in zijn eentje op straat met een bal tegen de muur stond te schoppen, op de gekste momenten begon te juichten, en daarbij voetbalstadion en commentator tegelijk was.

En Elton Everbich & the Stars kwamen in een zelf vervaardigde hitparade die ik van de echte natekende, met heuse alarmschijven, en in radioprogramma’s die ik zelf presenteerde en ook alleen zelf hoorde, als ik onderweg naar school liep of mij terugtrok in mijn kamer, wat ik graag deed door al die geweldige dingen die ik daar beleefde.

Aan de muur op die kamer hingen posters van Willem van Hanegem en Heintje, wiens slag in het haar mij lang intrigeerde. Nou ja, posters is een groot woord; het waren uit de televisiegids geknipte foto’s die hier en daar doorschenen door het lijm waarmee ze waren opgeplakt.

De voorsprong  van die communie kwam door een verhuizing. Ik verhuisde op 26 oktober 1967 van Den Haag naar Harderwijk. In Den Haag deden we in de eerste klas communie. In Harderwijk, waar eigenlijk alles wat later gebeurde, pas in de 2e klas. Ik had dus een echte voorsprong. En misschien was ik zelf nog het meest verbaasd over deze werkelijkheid.

Er valt veel meer over te vertellen, over die eerste 10 jaren die voor mij in de roerige jaren zestig lagen.  De chips en stripboeken bijvoorbeeld. De rust op straat. De hippies en de jantjes.  Maar de dingen die ik zojuist genoemd heb zijn vrij bepalend geweest voor de volgende tien jaar van mijn leven.

De voorsprong die ik tussen 1967 en 1972 had opgebouwd op het gebied van popmuziek en sport, werd langzamerhand ingehaald door mijn leeftijdsgenootjes toen de puberteit zich aandiende.  Dat werd voor mij een lastige fase. Inmiddels weten we dat bij jongens in de puberteit de frontale hersenschors nogal wat te lijden heeft van hun snelle groei. Het testosteron spuit ze uit de oren. Ze hebben in die fase 30 keer zoveel van dat hormoon als een volwassen man, las ik wel eens, en 900 keer zoveel als een volwassen vrouw.

Ik herinner me die periode erg goed. Ik  dacht weinig na. Ik liep al veel te jong met een flesje jenever in mijn binnenzak, gebruikte de vuisten nog wel eens en deed nog veel meer onverstandige dingen, die we hier maar achterwege zullen laten. Gelukkig had ik twee zeer goede vrienden, met wie ik gretig de popmuziek onderzocht. Dat begon met Deep Purple en Black Sabbath, en dat eindigde zo rond mijn 17e met symfonische bands als Yes en Genesis.

Nog steeds was ik in mijn eigen belevingswereld intussen het ongekende talent, dat daar vooral bij meisjes veel aandacht voor vroeg. Op mijn zolderkamer zat ik met mijn eerste koptelefoon naar ruimtelijke rock te luisteren, en ik had een soort van toetsenhoek ingericht, waar ik als toetsenman van een eigen band de sterren van de hemel speelde. Zonder toetsen natuurlijk.

Want er waren helemaal geen toetsen. Mijn keyboards waren een lage tafel en een strijkplank. Soms was ik drummer. Dan tikte ik met twee messen op een platendoos.  Riep mijn vader dat ik ogenblikkelijk moest ophouden met die herrie want het maakte een lawaai van jewelste.

Ik maakte hele wereldtoernees terwijl de regen op de ruiten sloeg. Op de muziek van Pink Floyd´s Ummagumma. Toernees die begonnen in de aula van het college, waar ik op zat. Met de leukste meisjes van de school op de eerste rij. Ik zal hier niet gaan vertellen wat mijn testosteron verder  met ze deed, maar als ik daar zo met mijn tafel en platenhoes op mijn kamer zat, was hun bewonderende aanwezigheid genoeg.

De werkelijkheid begon zich overigens al wel wat nadrukkelijker te manifesteren. Niet langer speelde ik Krol uit de wedstrijd, maar wel het grootste deel van mijn leeftijdsgenootjes. Ik zat niet bij Feyenoord, maar bijvoorbeeld in het team van mijn scholen, want ik bezocht er maar liefst drie tussen mijn 12e en 18e.

Uiteindelijk kwam ik zo rond mijn 19e ook in een band te spelen, een echte, die overigens pas succes kreeg toen we als vrienden uit elkaar waren. Echt succes dan, want ze werden in Hilversum gezien als een belofte en stonden in Muziekkrant Oor, gefotografeerd nog wel door Anton Corbijn.

Dus op het gebied van de sport en de popmuziek, stelde ik aan het einde van mijn puberteit vast, was geen eer meer te behalen. Maar gelukkig was er ook nog de godsdienst, waarin ik mij al eerder had onderscheiden dus daar wierp ik mij dan maar op. Ik liet mij tot het christendom bekeren en onmiddellijk begon mijn beleving weer te werken. Diezelfde beleving die mij Ruud Krol van de mat had doen spelen. En  ja, ook die beleving die mij tot een grote popster had gemaakt.

Ik had al snel ontdekt dat ik hoogstpersoonlijk in de bijbel werd genoemd. Ik zei het maar niet tegen de mensen, maar ik was de engel uit Openbaring 17:4. De details doen er nu even niet toe, maar ik had werk te doen, mensen naar het enig ware geloof te voeren. Dat leidde tot een geloofsijver van 15 jaar waarin ik geweldig veel leerde, en – toen ook in deze fantasiewereld de realiteit binnenregende-  ook over mezelf. Ik besloot dat God, als hij bestond, er meer aan zou hebben als Bert Overbeek zijn mond nu eens eindelijk zou dichthouden.

Ik was toen 33 en er was veel gebeurd. Ik moest nu maar eens landen. In de werkelijkheid. Ik zocht een paar bruikbare paraplu’s, wierp een heel leven van me af, verhuisde, liet mijn vrienden los en vertrok. Soms werkt dat zo. Dan zie je in dat je dingen aan het doen bent die niet goed meer voor je zijn, en dan moeten vrienden het ontgelden.

Nu ja, ik zal u alle details verder besparen, maar het is tenslotte allemaal wel goed met mij gekomen. Niet zonder pijn en moeite, dat spreekt vanzelf. Er zijn wat tranen door de Lek en de IJssel gegaan voordat ik echt op mijn plaats viel. Gelukkig werd er ondertussen ook nog veel gelachen, gereisd en geleefd.

Nu ik 50 word, kijk ik terug. En dan zie ik de kracht van mijn verbeeldingswereld die mij lang heeft laten geloven dat mijn dromen meer waar waren dan de werkelijkheid. Mensen die mij dat wilden laten zien, hebben het niet altijd makkelijk met me gehad.  Gelukkig zijn ze zelf ook geen lieverdjes; dat helpt dan wel.

Maar die belevingswereld, die dromen, die zijn er stiekem nog steeds. Ik zal in mijn eigen hoekjes altijd blijven vinden dat ik een groot talent ben dat volledig miskend is. Ik heb er alleen veel meer begrip voor wanneer u mij anders ziet. U kunt daar immers ook niets aan doen. U zou dat alleen maar kunnen begrijpen wanneer u in 1970 Ruud Krol uit de wedstrijd zou hebben gespeeld. Als u net als ik wereldtoernees had gemaakt. En als u net als ik in het midden van de hemel zou hebben gevlogen, zoals de engel uit Openbaring 17:4.

Maar zonder gekheid, het is een genoegen om hier gewoon als de 50-jarige Bert te staan. Met nog steeds een paar dromen. Want het bloed kruipt waar het eigenlijk niet gaan kan.

3 gedachtes over “Toespraak vanwege mijn 50e verjaardag

  1. Bert,

    Leef je dromen!

    Jammer dat ik er niet bij kon zijn, jou kennende is het een bijzonder feest geweest.

    Blijkbaar heb je nog een Goddelijke gaven bewaard. Ook jij laat mensen het licht zien.
    ;-)

    Ik ben een realist, en wens je nog 50 jaar toe.

    Marco

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s